Commentaar

Europees hof van justitie Het hoofddoekverbod is een nederlaag voor godsdienstvrijheid

De toelating door het EU Hof van Justitie in Luxemburg van het hoofddoekverbod in arbeidsrelaties, is hoe dan ook een nederlaag voor de godsdienstvrijheid. En een tegenslag niet alleen voor dragers van de hoofddoek, maar ook van de tulband en het keppeltje.

Het Hof kwam deze week tot de conclusie dat onder vrij strikte condities werkgevers dragers van religieuze kleding uit publieksfuncties mogen weren. Dan moet het bedrijf of de instelling wel een onderbouwd neutraliteitsbeleid hebben dat niet alleen religieuze maar ook politieke symbolen in of aan de kleding uitsluit. Dergelijk beleid moet behalve coherent en systematisch ook zelf neutraal zijn – het mag zich niet richten op één religie of overtuiging. Zulk beleid mag ook niet worden ingevoerd omdat één klant er om verzoekt, zoals in één van de beoordeelde zaken. Verder mag degene die in zo’n functie een religieus kledingstuk wil dragen, niet daarom worden ontslagen. Maar dient er elders in het bedrijf een plek te worden gezocht.

Dat leest als een stevige set beperkingen, waarmee iets wat kennelijk ongemakkelijk voelt in uitzonderingssituaties toch mogelijk wordt gemaakt. Daarmee is dit ook geen klinkende overwinning voor de moslimhaters die geen ‘hoofddoekjes’ aan welke balie, receptie, kassa dan ook wensen, om van enig overheidsuniform maar te zwijgen. Tevens verschaft het die bedrijven en instellingen die vinden dat ze religieus juist wel ‘een neutraal beeld’ moeten ‘projecteren’, volgens het Hof de mogelijkheid om dat dan ook te doen.

Maar wringen doet het toch. Al was het maar omdat religieuze werknemers voortaan toch echt anders mogen worden behandeld dan niet-religieuze – de een moet kennelijk in de back-office werken, de ander mag in het front office, zichtbaar voor klanten of burgers. Religie zit intussen niet alleen in wie je bent en wat je voelt, maar wordt ook uitgedrukt in kleding. Om dat niet te mogen tonen – en dat dus op je werk niet te mogen zijn – is een inperking van de individuele vrijheid en van het recht op zelfontplooiing.

Verder is een bedrijf natuurlijk juist niet neutraal als productie en administratie wel mag worden bemand door religieus geklede werknemers, terwijl voor alle klantcontacten de hoofddoek, keppel of tulband wordt afgedaan. Maar daar gaat het dan ook niet om, dit is het recht voor de werkgever om een neutraal beeld te ‘projecteren’. PR en cosmetica: het recht te mogen huichelen. Waarbij de prijs wordt betaald door religieuze werknemers die zich daarvoor enige mate van discriminatie moeten laten welgevallen. Geen sterk vonnis.