Aanwaaien en instampen

Woordjes leren is een levenslang project. Deze week konden we bijvoorbeeld koektrommelwijsheden leren van de aspirant-politicus mr. Theo Hiddema, allahuakbaren van de journaliste Ebru Umar, en elitehaat van de schrijver Özcan Akyol. Iedere dag gaan heel veel woorden het ene oor in en het andere oor uit. Soms blijft er een hangen: dan heb je dat geleerd.

In bepaalde perioden leren kinderen tientallen nieuwe woorden per week. Dat moet ook wel want binnen een paar decennia moeten ze de woordenschat van enkele tienduizenden woorden opbouwen die de gemiddelde volwassene heeft: van moppie tot aanhangwagen, van weeromstuit tot inzamelen.

Dat leren is eerder een kwestie van aanwaaien dan van instampen. Ouders nemen zelden de moeite om hun kinderen omstandig uit te leggen wat het verschil is tussen gewoon en normaal – als het ze al lukt om dat verschil te formuleren. Een kleuter leert ook geen woorden door definities uit het hoofd te leren, maar door steeds gelukkig te gokken. Als een volwassene kat zegt terwijl hij op Miepie wijst, zal hij wel ‘kat’ bedoelen en niet ‘zoogdier’ of ‘zwarte vacht’, of ‘Miepie’. Hoe concludeert het kind dat uit het woord en het handgebaar van de ouder? In sommige culturen wordt zelfs nauwelijks tegen kinderen gesproken; toch leren kinderen ook daar vlot praten.

Volgende week promoveert de taalkundige Anneleen Boderé in Leuven op een proefschrift over dat kleine wonder. In een experiment liet ze schoolkinderen gloednieuwe, want door haar zelf bedachte, woordjes leren. Kameut bijvoorbeeld, voor een mannetje met een tomatenhoofd en vier armen.Of spoekeren: geluid maken door potten en pannen tegen elkaar te slaan.

Die woorden verwerkte ze in een verhaaltje dat ze op drie manieren voorlegde aan verschillende groepen leerlingen. Sommigen kregen het verhaal verteld door een leerkracht; anderen moesten ander werk doen terwijl de onderwijzer het verhaal vertelde aan andere kinderen, en nog weer anderen werkten terwijl het verhaal aan een andere volwassene werd verteld.

Daarna werd bij alle kinderen getoetst of ze de nieuwe woorden kenden. Niet erg verrassend: over het algemeen hadden kinderen de meeste nieuwe woorden geleerd als er rechtstreeks tegen hen werd gepraat. Wel verrassend: er was verschil tussen autochtone kinderen en kinderen met een Marokkaanse achtergrond. De twee groepen deden het bij rechtstreeks onderwijs ongeveer even goed, maar de Marokkaanse pikte veel minder woorden op door af te luisteren. Vooral als het verhaal tussen volwassenen werd besproken waren de verschillen groot.

Met taalverschillen heeft dat weinig te maken; bij gewoon leren waren de twee groepen immers even goed. Boderé denkt dat het ergens anders ligt. Mogelijk konden de Marokkaanse leerlingen zich moeilijker met de twee blanke volwassenen identificeren. Misschien ook waren de Marokkaanse kinderen te braaf. Zij stortten zich met veel meer overgave op hun officiële opdracht en letten daardoor minder op de gesprekken in de omgeving.

Het is misschien het lot van iedere minderheid die omhoog probeert te klauteren. Je krijgt een opdracht en probeert die nauwkeurig uit te voeren. Je doet je best op school. En ondertussen blijkt de écht informatie het ene oor in te gaan en het andere uit, zonder te blijven hangen: hoe kameuten doorgaan met spoekeren.

Marc van Oostendorp (@fonolog) is taalkundige op het Meertens Instituut. Ewoud Sanders is volgende week terug.