Recensie

De kunst van Cowen begint pas in de donkere kamer

Voor de Amerikaanse kunstenaar is de foto slechts het basismateriaal, zijn bewerking maakt het tot kunst.

Camille 1 en 2 van Jeff Cowen.

Wanneer is een foto eigenlijk af? Voor sommige fotografen is dat wanneer de knop van de camera wordt ingedrukt. Dan is het ‘beslissende moment’ gevangen en wat er verder nog gebeurt in de donkere kamer of op de computer is voor hen niet relevant meer. Voor andere fotografen is juist de nabewerking cruciaal: donker, licht en kleur worden in een doka of computer geaccentueerd, doorgedrukt of gedramatiseerd. Weer anderen zijn van mening dat een beeld pas echt klaar is als de foto wordt gepresenteerd in een boek, een krant, een expositie, een serie. „Een foto is in die optiek pas voltooid in een context, en dus ook pas als er een publiek is dat het kan zien,” schrijft fotohistoricus David Campany in Jeff Cowen, Photoworks.

De Amerikaanse kunstenaar Jeff Cowen (1966), wiens werk nu te zien is in Huis Marseille in Amsterdam bevindt zich aan het uiteinde van dat spectrum: voor hem is een foto ‘slechts’ het basismateriaal. Daarna volgt een heel proces van bewerking, dat vaak al begint in de doka (Cowen werkt analoog), waar hij de chemicaliën gebruikt zoals een schilder zijn verf. Hij brengt bijvoorbeeld de ontwikkelingsvloeistof aan met een kwast op het fotopapier, waardoor er strepen, vegen en vlekken ontstaan, effecten die hij slechts tot op bepaalde hoogte kan controleren. Ook speelt hij in de doka met onscherpte, waardoor de contouren van het portret of het landschap vervagen, soms zo ver dat er alleen een abstract beeld achterblijft.

Eenmaal afgedrukt wordt de foto gebleekt, gescheurd – „vernietiging is een creatieve daad”, vindt Cowen – en beschilderd met verf of in een collage verwerkt. Het resultaat is een ambachtelijk en tactiel kunstwerk waarin het oorspronkelijke beeld een nieuw leven heeft gekregen. Uniek in de zin van dat er maar één exemplaar van bestaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Cowen wordt vertegenwoordigd door de Keulse galerie Michael Werner, waar hij de enige fotograaf is in een stal van schilders als Baselitz, Lüpertz en Polke.

Jeff Cowen vertelt over zijn werkwijze in een interview met Morten Krogvold.

Cowen past met zijn werk in een trend van fotografen wiens interesse meer uitgaat naar de fysieke aspecten van fotografie dan in het documentaire karakter ervan. Vaak als antwoord op de alomtegenwoordigheid van digitale fotografie en de razendsnelle verspreiding daarvan op social media experimenteren ze met oude technieken. Ze creëren eigen ontwikkelmethodes en bewerken de foto’s in een grillig proces. Zoals de Japanse Daisuke Yokota, die in Foam te zien is (Matter, 17 maart t/m 4 juni) en bij wie het draait om de tastbaarheid van de fotografie: het kunstwerk wordt niet bepaald door de camera, maar door experimenten met de materiële vormen van het medium.

Door de klassieke onderwerpkeuze – landschap, portret, stilleven, standbeelden – en de basis van zwart-wit oogt Cowen’s werk op het eerste gezicht alsof het honderd jaar geleden gemaakt had kunnen zijn. Het roept diezelfde dromerigheid en melancholie op als beelden van toen. Als je beter kijkt, naar dat monumentale formaat, de verf, de roze tape, zie je hoezeer het van nu is en hoe Cowen een intense gelaagdheid weet aan te brengen in wat begon met een simpele druk op de knop.