Recensie

Tuttles werk geeft altijd de indruk in statu nascendi te zijn

Expositie met werk van beeldend kunstenaar Richard Tuttle imponeert door de suggestieve kracht van minimale middelen, maar de te felle belichting verpest veel.

Foto G.J. van Rooij

Van de Amerikaanse kunstenaar Richard Tuttle – geboren in 1941 in New Jersey en opgevoed door een heleboel vrouwen behalve zijn moeder – wordt vaak gezegd dat hij een ‘kunstenaars-kunstenaar’ is. Zo’n kunstenaar die de aandacht trekt van zijn vakbroeders, naar wiens werk je veel en secuur moet kijken, en vooral: je intuïtie en verbeelding de vrije loop laten.

Tuttle is inmiddels allang omhelsd door de officiële kunstwereld, maar er waren andere tijden – in de jaren zeventig van de vorige eeuw – dat Tuttle’s werk in de New York Times (‘less has never been less’) en in Nederland (na een geruchtmakende tentoonstelling in 1979 in het Stedelijk Museum) met de grond gelijk werd gemaakt. In een interview bekende de inmiddels bekroonde nestor hoezeer hij zich ‘gekruisigd’ voelde door de kritiek.

Eenvoudige materialen

Het is makkelijk om van alles op Tuttle’s werk aan te merken: het bestaat uit eenvoudige materialen (karton, touw, piepschuim, spijkers, lappen, ijzerdraad). De objecten en tekeningen die hij maakt lijken onaf te zijn, uit de losse hand gemaakt, geknoopt, bedacht, ergens gevonden, neergezet – en weer in de steek gelaten op het moment dat de kunstenaar inspiratie elders vond. Het werk van Tuttle geeft altijd de indruk in statu nascendi te zijn: het werk wordt geboren, maar nog niet helemaal. Hij geeft met minimale middelen suggesties, een pennenstreek, een voorafspiegeling van een idee in abstracte gebaren vervat. Altijd als ik naar het werk van Tuttle kijk, is het alsof ik een taal in de lucht geschreven zie worden, met tekens die onbekend zijn. Het begin en einde daarvan blijft altijd ongrijpbaar.

Daarom ook is Richard Tuttle zo’n bijzondere kunstenaar. Des te bijzonderder is het dat deze grootheid, in schaal en gebaar oneindig veel subtieler en speelser dan zijn generatiegenoten Richard Serra of Carl Andre, nu opnieuw in Nederland is te zien.

Dat was voor het laatst zo in 2001 in het Amsterdamse Stedelijk Museum, toen Museum Overholland een prachtige selectie van tekeningen presenteerde.

Knalroze koffertje

Nu, in de zeventiende-eeuwse Vleeshal in Haarlem (onderdeel van De Hallen) heeft Richard Tuttle op verzoek van directeur Ann Demeester zes nieuwe werken gemaakt. Die werken dragen geen naam. Ze hangen in de door een zuilenrij doormidden gedeelde ruimte als de karkassen vroeger aan de haken.

De zes vormen samen een parade van half en heel voltooide beelden, die aan het plafond en op de vloer worden ‘omlijst’ door een aluminium frame. Tussen die frames in gebeurt er van alles: er is een baldakijn bestikt met piepschuim letters, een soort knalroze koffertje van karton met elegante tressen eraan, een touw dat zich halverwege in tweeën splitst en van kleur verschiet.

Sommige werken zijn sterk, zoals het roze ‘koffertje’ en het touw, andere zijn echt behoorlijk niksig.

Slechte belichting

Toch is het niet daarom dat de tentoonstelling in De Hallen zo ambivalent stemt. Die ambivalentie komt voort door de slechte belichting van de werken. Tuttle’s werk is altijd ook bron van meditatie. In De Hallen wordt in een begeleidende audio-vertelling gerept van een verduisterde sfeer die in De Vleeshal zou hangen. Daardoor zou de meditatieve werking van de kunstobjecten worden versterkt. Maar feit is dat De Vleeshal in dag- en kunstlicht baadt. Als gevolg daarvan is van de introspectieve schaduwwerking die Tuttle’s beelden nodig hebben, geen sprake. Typerend is de discobal die aan het plafond rondjes draait onder een spotlight. Traag gaat de bal, en zonder enig effect.

    • Lucette ter Borg