Opinie

    • Pia de Jong

Schelpjes zoeken

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: kokkels, dolfijnen en een winterkoninkje.
Illustratie Eliane Gerrits

Vanuit de verte zie ik haar al staan. Een magere vrouw in een verschoten zomerjurk met verwaaide grijze haren. De zon komt op aan de kust van Florida. Ik loop over het strand dat bezaaid is met miljoenen schelpen. Met een stok waaraan een zeefje is vastgemaakt, schept ze iets uit het zand en stopt het in het plastic tasje dat ze aan een koord om haar middel heeft geknoopt.

„Mag ik vragen wat u gevonden heeft?”, vraag ik de vrouw als ik haar nader.

Met beverige vingers knoopt ze het supermarkttasje open en laat me de inhoud zien. Drie kleine schelpjes liggen op de bodem. Ze haalt ze een voor een tevoorschijn. Een wormslakje, een roze kokkel, een venusschelp. Ze zijn van een ontroerende eenvoud. „Vandaag had ik een goede ochtend”, zegt ze.

„Doet u dit elke dag?”, vraag ik.

„Sinds een paar jaar”, zegt ze.

„Maar dan moet u er heel veel hebben”, zeg ik.

„Dat is zo”, antwoordt ze. „Ze liggen overal in mijn huis. Soms maak ik er iets moois van, om weg te geven.”

Ik passeer meer schelpenzoekers. Een vader en moeder met drie jonge kinderen. Twee gearmde meisjes. Vogels met dunne lange snavels trippelen door het ondiepe water. Een bolle schelp spoelt bij mijn voeten aan. Als ik hem op wil rapen, zie ik dat er nog een diertje inzit, dat meteen terug naar zee begint te kruipen. Als vanzelf grijp ik in mijn broekzak naar mijn mobiel, maar bedenk dat ik hem niet bij me heb. Ik prent het beeld in mijn geheugen. Misschien ben ik mijn vermogen om dingen te herinneren zonder foto nog niet verloren.

Ik realiseer me nu pas hoe druk ik me gemaakt heb de laatste tijd. Ik werd vaak midden in de nacht wakker om het nieuws in Nederland te volgen, om me daarna bezig te houden met wat de dag hier bracht. Ondergedompeld in de onafgebroken golven nieuwsberichten. En al die tijd spoelden grote en kleine schelpen aan op het strand, trippelden de vogels door het water en ruiste de zee.

Een meisje van een jaar of zes met een gestreept truitje schrijft met haar grote teen haar naam in het zand: Wren.

„Wat een bijzondere naam”, zeg ik.

Ze kijkt me ernstig aan. „Een wren is een vogel”, zegt ze. „Een kleine.”

„Jij bent ook een klein meisje”, zeg ik. Samen kijken we hoe een golf haar naam wegspoelt. Een winterkoninkje.

Ik denk aan de vakanties in Zoutelande toen ik klein was. De schelpen die ik in mijn zak stak. Thuis waste ik ze zorgvuldig schoon en spreidde ze uit op de vensterbank van mijn slaapkamer. Zo hield ik de hele winter het zomervakantiegevoel bij me.

Als ik terugloop, zie ik de vrouw met het tasje weer. Ze wenkt.

„Daar”, fluistert ze en pakt mijn arm. „Zie je ze?”

Twee dolfijnen steken hun kop boven water en duiken dan met een sierlijk boogje onder.

„Ze komen hier iedere ochtend. Om ons gedag te zeggen”, zegt ze. Ze legt een gedraaid schelpje met bruine stipjes in de palm van mijn hand.

Ik neem me voor het thuis op de vensterbank te leggen.

Reacties naar pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong