Recensie

Er is iets verrot in Nederland

Ferdinand Grapperhaus’ actuele pamflet over ongelijkheid, fundamentalistische islam en gebrekkige assimilatie wordt wel vergeleken met ‘Het multiculturele drama’ van Paul Scheffer.

Foto REUTERS/Dylan Martinez

Rafels aan de Rechtsstaat is geen kalm juridisch werkje, waarin nog eens de afbraak van de gefinancierde rechtshulp of de overbelasting van de rechtspraak wordt betreurd. Nee, advocaat en hoogleraar Ferdinand Grapperhaus, prominent CDA-lid en oud-lid van de SER, schreef een hartenkreet over de toegenomen ongelijkheid in Nederland, een pamflet over de opkomst van het populisme en de risico’s die de rechtsstaat daardoor loopt. Dit is een politiek, actueel boek van slechts 127 bladzijden, dat het Advocatenblad al vergeleek met Scheffers’ essay (2000) over het ‘drama’ van de multiculturele samenleving.

Die vergelijking klopt, al was het maar omdat dit boekje een bestandsopname is van de sociale ongelijkheid in het Nederland van de laatste decennia, geplaatst in het juridisch kader van de rechtsstaat. En de auteur, net terug van een wereldreis, is niet zozeer boos, als wel tot in z’n tenen geërgerd en gooit het er nu in één keer uit.

Dat zorgt voor prettig lezen. Hoe Grapperhaus (1959) socialist werd, dominee, nee, politicus, nee, toch maar diep overtuigd christen-democraat bleef. En intussen het politieke midden in gebreke stelt, waar desondanks zijn hoop op is gevestigd omdat in de Nederlandse ‘mediocratie’ toch altijd de oplossingen dáár werden gevonden.

Grapperhaus constateert dat er ‘iets verrot’ is in de samenleving en wil proberen er nog ‘iets van te maken’. Nederland valt in hoog tempo uit elkaar, meent hij. Vijftien procent van de bevolking blijft over de hele linie achter: de laagst opgeleiden, op een bestaansminimum, ver van de arbeidsmarkt, zonder netwerk, fysiek ongezond. Ook wel het ‘precariaat’ geheten, de kwetsbare onderklasse, vatbaar voor extremisme en populisme. Voeg daar de categorie van veertien procent aan toe van de ‘onzeker werkenden’ en het feit dat tussen 2005 en 2014 alleen de hoogste inkomensgroepen er fors op vooruitgingen, terwijl de midden- en lagere groepen gelijk bleven En de groep mensen in de bijstand sinds 2008 met vijftig procent toenam. Voor zeventig procent van alle huishoudens betekent dit alles netto stilstand tot achteruitgang. Met als perspectief dat over twintig jaar meer dan de helft van de huidige banen door robots of digitale toepassingen zijn overgenomen.

‘Vastgelopen huishoudens’

Die ‘rafels’ van de rechtsstaat uit de titel slaan op deze toenemende ongelijkheid, die de rechtsstaat met z’n belofte van vrijheid, gelijkheid en broederschap onderuit dreigen te halen. Grapperhaus is somber over al die ‘vastgelopen huishoudens’ – ook de middenklasse zal steeds verder afzakken, de sociale mobiliteit neemt af, het lot van de laagste klassen wordt steeds meer ‘generationeel bepaald’. Hij ziet oprukkende segregatie in het onderwijs, een dalend gemiddeld eindniveau en een diepere kloof tussen hoger- en lager opgeleiden. Ook het onderwijs rafelt – steeds minder gelijke kansen voor kinderen uit verschillende economische klassen. Dat geldt ook voor de positie van etnische en raciale groepen, die steeds meer discriminatie ondervinden en zich afkeren van de Nederlandse samenleving.

De fundamentalistische islam ziet Grapperhaus als één van de grootste bedreigingen, vooral omdat die kernwaarden van de Nederlandse samenleving verwerpt. In het bijzonder de gelijkheid, van man en vrouw, van seksuele geaardheid en van andersgelovigen. Ook de gebrekkige assimilatie van in het bijzonder Turkse Nederlanders ziet hij met lede ogen aan. Zij keren zich ‘met gemak af’ van de Nederlandse wetten. Turkse Nederlanders die voor Erdogan demonstreren, of Gülenaanhangers ‘aangeven’ keren volgens hem ‘het principe van Voltaire binnenste buiten – ik wil het grondrecht om te demonstreren tegen uw grondrechten’

Hartenkreet van oud-SER-lid Ferdinand Grapperhaus laat aan duidelijkheid niets te wensen over

Grapperhaus zit precies op de lijn van Rutte – meedoen of vertrekken. Bij hem heet het integratie of terugkeer. Etnische groepen moeten van hem ‘veel harder worden aangesproken’ op hun plicht tot assimilatie. Wie hier wil zijn moet de seculiere beginselen van onze ‘letterlijk tolerante samenleving’ onderschrijven. Tegelijk vindt hij ook dat de overheid steviger moet optreden tegen autochtonen die assimilatie tegenwerken of zelfs saboteren – zo verzuimde de overheid om hardhandig op te treden tegen de minderheid die zich verzette tegen de komst van azc’s. ‘In wezen was een grote zwijgende meerderheid niet tegen’.

Radicalisering

In zijn analyse zet de groeiende ongelijkheid, dwars door klassentegenstellingen heen, de bijl aan de wortel van de rechtsstaat. Groepen die permanent de aansluiting verliezen, keren zich af van de samenleving, verliezen begrip voor nieuwe ontwikkelingen – of het nu globalisering is, digitalisering of migrantentoestroom – en radicaliseren. Ze zetten zich af tegen instituties, tegen regels, tegen de elite – tegen het geheel, waarin zij hun plaats immers hebben verloren. Ze delen niet mee in de welvaart, voelen zich ongelijk behandeld of tenminste in de nabije toekomst daarmee bedreigd.

Interessant is dat Grapperhaus, toch advocaat bij een grote zakelijke juridische dienstverlener, geen aanhanger is van de onbeperkte vrije markt. Vrijheid heeft gelijkheid overvleugeld, meent hij, en dat heeft hoge collectieve kosten. Staten en landen hebben veel van hun slagkracht verloren – multinationals deden in 2000 al bijna de helft van alle uitgaven en investeringen ter wereld. Overheden zijn steeds minder gelijkwaardige onderhandelingspartners; ze zijn met hun burgers beland in een spiraal van afhankelijkheid. Belasting betalen en dus bijdragen aan de samenleving, is voor grote bedrijven een onderhandelbare kostenpost geworden. Zo wordt ook langs die route de solidariteit ondergraven en de samenleving ontwricht.

Grapperhaus heeft een positieve afkeer van de privileges die de bovenklasse zich op de vrije markt weet aan te schaffen – wat hij de ‘first-in-line’-samenleving noemt. En die hij contrasteert met het oprukkende fenomeen van de ‘eigen bijdrage’ waarmee de onderkant van de samenleving zich moet zien in te kopen in wat ooit collectieve voorzieningen waren.

Uitkoop aan de bovenkant, inkoop aan de onderkant. Het leidt tot erosie van de samenleving – en de regels die voor iedereen gelijk zouden moeten werken. Zo raakt het ‘redelijkheidsevenwicht’ tussen de boven- en de onderklasse verstoord, voelt uiteindelijk niemand zich meer gebonden aan wetten en verliest de publieke zaak steeds meer aan gezag. De rechtsstaat, in de definitie van Grapperhaus, moet juist die gelijke kansen voor iedereen waarborgen.

Ontwrichting

Bevolkingsgroepen in Nederland zijn in Nederland volledig van elkaar losgeraakt, meent Grapperhaus. De onderlinge solidariteit zal verder, tot het nulpunt, dalen. De midden- en onderklasse zullen geleidelijk terrein verliezen – alleen de tien tot dertig procent aan de bovenkant zal nog vooruitgang boeken. Hij voorziet een neerwaartse spiraal van afnemend vertrouwen in instituties en verdwijnende gemeenschapszin. Het gevolg is het ‘planloze populisme’ dat zich beperkt tot het aanwijzen van zondebokken. Het leidt tot een ‘algehele ontwrichting van het denken van partijen en organisaties die wel een plan hebben’. Die gaan zich steeds minder coherent gedragen, uit angst om ook verketterd te worden en worden steeds meer one-issue bewegingen.

Gelukkig besluit Rafels aan de Rechtsstaat ook met een oplossing – een (drastisch) ‘Vernieuwde samenleving’ heet het slothoofdstuk. Die grijpt dan wel terug op het vertrouwde concept van de rechtsstaat, met een gerespecteerde overheid die waarborgt dat iedereen eraan kan deelnemen en een elite die leiding geeft. De huidige kansenongelijkheid moet wel worden weggenomen of ‘verwaarloosbaar’ worden gemaakt. ‘Iedereen draagt weer naar vermogen bij’. Eigen bijdragen worden afgeschaft. Het onderwijs richt zich op werkgelegenheid in de toekomstige ‘3D gedigitaliseerde’ arbeidsmarkt. Overheidsberoepen voor de middenklasse (onderwijs, zorg, politie) krijgen betere arbeidsvoorwaarden. Fiscale voordelen voor bedrijven worden gekoppeld aan de plicht om in de samenleving te investeren. Er moet meer arbeid komen voor laaggeschoolden; het belastingstelsel wordt weer (ouderwets) progressief. Er moeten (opnieuw) kleinere, zingevende verbanden voor burgers komen. Kortom, Ferdinand Grapperhaus droomt zich een half centrum links regeerakkoord, dat schwung, durf en vertrouwen toont.

    • Folkert Jensma