Opinie

Met open ogen in Erdogans val getrapt

Erdogan provoceert Europese landen bewust om de Turken warm te krijgen voor zijn referendum, schrijft Joost Lagendijk. Nederlandse politici gingen de strijd aan, uit angst voor stemmenverlies.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Turkse ministers die Nederland niet in mogen of het land worden uitgezet. Dreigementen vanuit Ankara en een gesloten politiek front en ferme taal in Den Haag. Hoe heeft het zo ver kunnen komen in de relaties tussen Nederland en Turkije? Waar is het mis gegaan en vooral: was dit zonder op handen zijnde verkiezingen in Nederland en een referendum in Turkije ook zo uit de hand gelopen?

Op 3 maart werd bekend dat de Turkse Minister van Buitenlandse Zaken Cavusoglu van plan was een week later naar Nederland te komen om daar te komen pleiten voor een ja-stem in het Turkse referendum op 16 april over ingrijpende aanpassingen van de Turkse grondwet.

Binnen enkele uren liet de Nederlandse regering weten dit bezoek onwenselijk te achten. Belangrijkste reden die gegeven werd: de kans op ongeregeldheden en nog meer polarisatie in de toch al gespannen verhoudingen binnen de Turkse-Nederlandse gemeenschap en tussen die gemeenschap en de rest van de Nederlandse samenleving. Minder uitgesproken maar van begin af aan aanwezig was ook een andere reden: totale oppositie tegen de voorgestelde grondwetswijzigingen die van Turkije een electorale autocratie zullen maken. Met verkiezingen die als enig doel hebben een almachtige president te legitimeren.

Die weerstand tegen de ontmanteling van de democratie in Turkije wordt breed gedeeld. Het is de laatste fase van een ontwikkeling in Nederland waarbij sinds 2011 steeds meer politici zich zorgen maken over het autoritaire optreden van president Erdogan. Al ruim voor 3 maart wilde geen enkele Nederlandse partij gezien worden als verdediger of bondgenoot van Erdogan. Het is dan nog maar een kleine stap naar de weigering om officiële vertegenwoordigers van de Turkse staat een podium te bieden hun ideeën over te brengen aan ook in Turkije kiesgerechtigde Turkse Nederlanders.

Dat besluit is betwist, onder andere door deze krant, op basis van een liberale interpretatie van de vrijheid van vergadering en de vrijheid van meningsuiting. Men hoeft het met iemand niet eens te zijn om die persoon toch het recht te geven zijn of haar mening te uiten. Er is echter nog een andere reden om af te zien van een dergelijke maatregel en die is niet gebaseerd op principes maar op een strategische inschatting. Erdogan is een meester in het bespelen van de Turkse gevoelens van afwijzing door Europa en het meten met twee maten door Europese politici. Vanaf het begin van de referendumcampagne is duidelijk dat Erdogan iedere oppositie tegen zijn voorstellen probeert weg te zetten als een samenzwering van binnenlandse terroristen en landverraders en buitenlandse krachten die jaloers zijn op zoveel Turkse krachtdadigheid. Daarom doet hij niets liever dan aanleidingen zoeken om Europese critici te beschuldigen van hypocrisie.

Een manier om dat te doen is het provoceren van conflicten over Turkse sprekers in Europese landen. De Turkse president weet drommels goed dat hun komst omstreden is, niet alleen in Nederland, en gebruikt de problemen met die geplande bezoeken dan ook systematisch om Turkije in de rol van slachtoffer te drukken en het Turkse electoraat te verenigen in het ja-kamp.

Het was daarom veel verstandiger geweest als Nederland op 3 maart besloten had de bijeenkomst gewoon door te laten gaan. Omdat vrijheid van meningsuiting ook geldt voor Turkse ministers en om te voorkomen dat Nederland in een wedstrijd diplomatiek-armpje-drukken zou belanden waarvan de uitkomst reeds bij voorbaat vast stond. Zonder interventie zou de oorspronkelijk geplande bijeenkomst met Cavusoglu zonder veel ophef gepasseerd zijn.

Dat een dergelijke principiële en tegelijk pragmatische benadering niet werd gekozen, heeft alles te maken met de verkiezingen van komende woensdag en de angst dat Geert Wilders zou proberen het Turkse bezoek te gebruiken om zijn stagnerende campagne nieuw leven in te blazen. Om Wilders voor te zijn en te blijven begon het kabinet aan een prestigestrijd met Turkije waarvan het kon weten dat die, indien consequent vol gehouden, zou uitlopen op de door Erdogan bewust gezochte crisis. Dat de gehele oppositie zich aan de kant van de regering schaarde heeft te maken met de ook daar levende angst dat zonder eensgezindheid alleen Wilders een slaatje zou slaan uit de opgelopen spanningen. Bovendien wil geen enkele partij gezien worden als slap of toegeeflijk ten opzichte van een autocraat die er niet voor terugdeinst gebruik te maken van beschuldigingen als ‘nazi’ en ‘fascist’, die niet alleen buitengewoon kwetsend zijn maar ook blijk geven van een totaal gebrek aan historisch besef.

Zonder het vooruitzicht van een referendum waarbij zijn politieke leven op het spel staat zou Erdogan nooit zo ver zijn gegaan in het provoceren en uitschelden van Europese regeringen waarvan hij weet dat hij ze na april alsnog nodig heeft om de haperende Turkse economie weer op de rails te krijgen.

Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat zonder het vooruitzicht van verkiezingen en een mogelijke ultieme eindsprint door Wilders zowel regerings- als oppositiepartijen meer gewicht hadden toegekend aan de principiële argumenten voor vrijheid van meningsuiting en aan het gevaar meegetrokken te worden in een diplomatiek moddergevecht waaruit iedereen smerig tevoorschijn komt.

Toen West-Duitsland in de WK-finale van 1974 tegen Nederland de beslissende goal scoorde, gebruikte commentator Herman Kuiphof de legendarische woorden „Zijn we er toch ingetuind …!” Ik ben bang dat die woorden ook goed weergeven welke fout Nederland gemaakt heeft door in te gaan op de Turkse provocaties. Het ziet er stoer uit en het voelt goed - en ja, het voorkomt wellicht dat Wilders profiteert. Maar het is vooral Erdogan die hiervan de vruchten plukt bij zijn pogingen alleenheerser in Turkije te worden.