Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Fascisten-gezin

We keken samen naar de minister-president op de staatszender, mijn fascistische dochter en ik. Zij is anderhalf en hield zoveel van de man dat ze elke keer als Mark Rutte op de sofa bij Rick Nieman zijn mond open deed, ze er een stuk brood in probeerde te proppen. Van ons had ze dat niet meegekregen, we hielden ons maar vast aan de idee dat ze nog in de fase zit dat ze televisie kijkt als een lief moedervogeltje dat haar voedsel maar één keer kan verdelen over al die geopende snaveltjes.

De vriendin, blond en hoogzwanger en misschien juist daardoor extra fascistisch, vond boter op het televisiescherm smeren niet normaal en keek me woedend aan. Kon ik ons blonde meisje alsjeblieft heel snel op schoot trekken zodat we vrij zicht hadden op de Turkije-rel?

Dit was Monty Python 2.0.

Een fascist op een plein in een ver land, een zee van uitgedeelde plastic vlaggetjes onder hem, die anderen voor fascist en nazi uitschold. Als hij zijn tegenstanders niet in het gevang zou gooien zou je erom kunnen lachen. De dochter klapte in haar handjes en zwaaide bij het zien van de vlaggenzee en later ook bij de beelden van protesterende Turken in Rotterdam. Zij houdt van gezellige mensenmassa’s.

Tegelijkertijd stond de balkondeur van ons huisje inmiddels wel op een kier, want met de Turkse ellende was de lente gekomen. „Hitlerwetter”, noemden ze dit soort dagen in de jaren dertig in ons fascistische buurland. Even later ontving ik het commando om met een bezem het balkon schoon te vegen. Het geluid van de televisie mocht extra hard zodat ik het nieuws nog wel kon volgen, de buurvrouw is toch doof.

Ik kreeg flarden mee.

Van de Turkse minister van familiezaken die zich inmiddels had beklaagd over de schandalige en ondemocratische manier waarop ze in Rotterdam was ontvangen, over Turkse demonstranten die uit protest tegen zoveel fascisme woedend sinaasappels uitknepen en het sap opdronken en over Geert Wilders die terug begon te twitteren.

Pas nadat ik een stapeltje oud nieuws in het schijthuisje van onze Birmaanse kutkat had gelegd, mocht ik weer naar binnen. Naar Klaver, Buma en Witteman in Buitenhof. Terwijl Sybrand Buma het begrip de-escalatie alvast voorzichtig begon uit te rekken schilde de vriendin aan het aanrecht stukjes fruit in een bakje. Onze dochter klom op haar driewieler. Met een druipend stuk peer in het rechterklauwtje stoof ze naar de CDA-leider op het scherm.

„Te paard!”, riep ik. „We zijn in oorlog!”

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.

    • Marcel van Roosmalen