Opinie

    • Erik-Jan Zurcher

Erop of eronder – dus hangt Erdogan tierend de sterke leider uit

Voor zijn referendum is de buitenlandse stem van extra groot belang. En dus roert Erdogan zich, schrijft

ANP

Pas als je het rustig opschrijft, realiseer je je welke bizarre vorm de Nederlands-Turkse betrekkingen inmiddels hebben aangenomen: een Turkse minister die – tegen de uitdrukkelijke wens van de Nederlandse regering in – de Nederlandse grens over komt en via een sluiproute probeert het Turkse consulaat in Rotterdam te bereiken; diezelfde minister die, tegengehouden door Nederlandse politieagenten, vanuit haar auto live de Turkse televisie te woord staat; een Turkse president en zijn minister van Buitenlandse Zaken, die Nederland neerzetten als „overblijfsel van de nazi’s” en „brandhaard van het fascisme.”

De aanleiding van dit alles was, zoals bekend, de wens van de Turkse regering om, via een uitgebreid programma van bezoeken aan Europese landen, de Turkse gemeenschap in Europa (zo’n 4,5 miljoen mensen, van wie zeker de helft de Turkse stemgerechtigd is in Turkije) warm te maken voor een Ja-stem in het referendum over de grondwet in Turkije.

Turkse invloed

Ankara’s politieke bemoeienis met de Turken in Europa en Nederland is niet nieuw. De eerste generatie ‘gastarbeiders’, die in de jaren zestig naar Nederland kwam, was over het algemeen niet erg politiek bewust. Ze kwamen uit de Turkse provinciesteden of van het platteland, om zo hard mogelijk te werken en zo veel mogelijk te verdienen. In de jaren zeventig, toen Turkije instabieler werd en zowel politiek radicalisme als vervolging erger werden, organiseerden politieke en religieuze stromingen die in Turkije onderdrukt werden, zich binnen Europa.

Het waren vooral radicaal-linkse en radicaal-islamitische, organisaties die netwerken opbouwden. Ironisch genoeg was een hiervan de Nationale Visie-beweging, waaruit Recep Tayyip Erdogan afkomstig is. Ankara zag met lede ogen aan hoe deze facties de Europese publieke opinie beïnvloedden.

Lees ook de opinie van Joost Lagendijk: Met open ogen in Erdogans val getrapt

Na de militaire staatsgreep van september 1980 in Turkije, besloot generaal Kenan Evren, de leider van de junta, het daarom anders aan te pakken. Het militaire bewind ging als eerste actief beleid maken om de Turken in Europa blijvend aan het moederland te binden, om zo twee vliegen in een klap te slaan: voorkomen dat de – inmiddels miljoenen – Turken in Europa in de ban zouden komen van „schadelijke” (of zoals Evren zei: „perverse”) ideologieën en hen omsmeden tot een instrument waarmee invloed in Europa kon worden uitgeoefend. In de jaren tachtig en negentig werd de invloed van Ankara vooral gekanaliseerd via de moskee (meer dan driekwart van de Turkse moskeeën in Europa is in handen van stichtingen verbonden met het Turkse presidium voor godsdienstzaken), maar ook de ambassades en consulaten speelden een actieve rol.

Deze politiek is door Erdogan voortgezet, maar ook versterkt. In 2010 richtte hij het ‘presidium voor Turken in het buitenland en aanverwante gemeenschappen’ op, dat de banden met de Turken in het buitenland moet versterken.

Stemmen pas vanaf 2014

De doelen waren in eerste instantie hetzelfde als onder Evren: de Turken inzetten voor versterking van de positie van Turkije, met name in de EU. Vanaf 2014 kwam daar een belangrijk nieuw motief bij. Tot dat jaar mochten Turkse paspoorthouders in het buitenland alleen stemmen in Turkse verkiezingen als ze daarvoor naar een Turkse grenspost kwamen. Dat deed minder dan vijf procent.

Nu konden zij ook in Europa gaan stemmen. Daarmee werden de Turken in Europa ineens een heel interessante doelgroep – vooral voor de regerende conservatief-islamitische en nationalistische AK-partij van Erdogan, omdat in veel Europese landen (en met name in Nederland) zijn persoon en zijn ideeën heel populair zijn – meer dan in Turkije zelf.

In de stemming over het referendum zijn die stemmen van extra groot belang. Het is immers erop of eronder, een simpele meerderheid is genoeg, en de peilingen laten zien dat het spannend gaat worden.

Alle reden dus om de Europese Turken te mobiliseren door het sturen van top-politici. Er is alleen een probleem: verkiezingspropaganda in het buitenland is in Turkije uitdrukkelijk bij wet verboden. Vandaar dus dat alle politici die hier nu optreden ‘voorlichtingsbijeenkomsten’ houden en ‘uitleggen waar het referendum over gaat’.

De stemmen van de Europese Turken kunnen de doorslag geven en dat verklaart gedeeltelijk de woede-uitbarstingen van de regering in Ankara nu hun (eigenlijk illegale) propaganda-activiteiten worden gedwarsboomd door Europese regeringen. Tegelijk dient de retoriek die Ankara gebruikt om zijn woede te uiten, ongekend agressief en kwetsend als die is, ook een politiek doel.

Zieltjes winnen

Dat zit zo: de eigen kern-achterban van Erdogan, die bestaat uit conservatief-religieuze moslims, is groot, maar vormt geen meerderheid. Om toch aan de meerderheid in het referendum te komen, moet hij twee dingen doen: zijn eigen aanhang maximaal mobiliseren en stemmen van andere partijen winnen. Bij twee van de drie oppositiepartijen in Turkije zal hem dat niet lukken: de stemmers van de Kemalistisch-seculiere CHP en van de Koerdische HDP hebben een intense afkeer van Erdogan. Dus moet hij de stemmen halen bij de ultra-nationalistische MHP. De leider daarvan heeft zich achter hem geschaard, maar de aanhang heeft grote aarzelingen.

Een felle confrontatie met Europa, waarin hij zich al scheldend en tierend kan positioneren als de sterke leider die de eer van Turkije verdedigt tegen buitenlandse aanvallen, is voor Erdogan het ideale instrument om én zijn eigen aanhang (in Europa) te mobiliseren én de stemmen van de ultranationalisten in Turkije te winnen – en dus uiteindelijk ook het referendum.

Lees ook: Thomas Spijkerboer: Nederland moet nu zwijgen over het vrije woord
    • Erik-Jan Zurcher