De verzekeraar is niet zo machtig

Onderzoek

Wie heeft de macht in de zorg en maakt er de meeste winst? Een adviesbureau deed onderzoek en komt met verrassende resultaten.

Banken, farmaceuten en huisartsen zijn het machtigst

Het politieke debat over de zorg is de laatste weken veelal gereduceerd tot een discussie over het wel of niet afschaffen van het eigen risico. De ‘macht van de zorgverzekeraar’ komt in die discussie steevast langs – als een soort vaststaand feit. Hoe dachten de heren en vrouwen politici die macht in te perken, is dan de vraag.

Het is begrijpelijk dat een ingewikkeld zorgstelsel zich slecht leent voor tv-debatten waarin politici zo snel en helder mogelijk hun statements moeten maken, maar de simplificaties kunnen ook doorschieten. Zo vanzelfsprekend is het niet dat zorgverzekeraars te veel macht hebben. Hoe stel je dat vast?

Voor sommige zorgverleners is de macht van verzekeraars evident. De individuele fysiotherapeut of logopedist ervaart de zorgverzekeraar met tienduizenden werknemers en ellenlange bureaucratische protocollen als een machtige partij. Zij moeten tekenen bij het kruisje willen zij een contract krijgen met de verzekeraar.

Maar andersom wordt net zo goed machtsongelijkheid ervaren. De grote randstedelijke verzekeraar met weinig polishouders in Groningen of Friesland voelt zich vrij onthand bij onderhandelingen met de grote ziekenhuizen van Leeuwarden of Groningen. De verzekeraar kan het zich niet permitteren om geen contract af te sluiten met deze reuzen. De verzekeraar voelt zich machteloos, het ziekenhuis kan door zijn regionale monopolie hogere tarieven bedingen.

Adviesbureau Gupta Strategists besloot de winsten en macht in de Nederlandse gezondheidszorg te onderzoeken. Winst is een resultante van je machtspositie, redeneren de adviseurs. Daarom analyseerde het bureau de winsten in de zorg en vergeleek die met de machtsposities.

Managementgoeroe

Om het laatste te meten werd gebruik gemaakt van de inzichten van de Amerikaanse managementgoeroe Michael Porter. Die kwam in 1979 met vijf indicatoren om de mate van concurrentie in een bedrijfstak te meten. Is de markt makkelijk toegankelijk voor nieuwe concurrenten? Een bank kun je bijvoorbeeld niet makkelijk beginnen. Hoe groot is de bedreiging vanuit andere sectoren voor alternatieve diensten en producten? Zie hoe de televisie nu terrein verliest op sociale media. Hoe groot is de onderhandelingsmacht van klanten en toeleveranciers? En hoe groot is de competitie in een bedrijfstak? (In de farmaceutische industrie is die bijvoorbeeld bijzonder laag omdat ieder concern een eigen monopolie probeert te creëren met een middel tegen een ziekte.)

Met deze criteria komt Gupta met conclusies die haaks staan op aannames in het publieke debat. Niet zorgverzekeraars zijn machtig, maar juist huisartsen en medisch specialisten.

„Wij waren ook wel verrast dat de huisartsen zo hoog scoorden”, zegt Samuel Smits van Gupta. „Maar als je kijkt naar de norminkomens van Nederlandse huisartsen en het geld dat er naar toe gaat, komen wij op hoge winsten uit. Er is de laatste jaren ook heel veel geld naar de huisartsen gegaan.”

Van de 80 miljard euro die de samenleving in 2015 aan zorg uitgaf, bestond 7 miljard euro uit winst, zo berekende Gupta, ofwel 430 euro per inwoner per jaar. Het grootste gedeelte, 1,8 miljard euro, ging naar fabrikanten van medische apparatuur en hulpmiddelen zoals Philips en Siemens. Zorginstellingen maakten 1,5 miljard winst op de Nederlandse zorg, nog meer dan de farmaceutische industrie (1 miljard euro). En banken en softwarebedrijven – je zou het bijna vergeten – maken ook een stevige winst, samen bijna net zo veel als de farmaceutische industrie.

Banken komen sowieso als krachtige partijen uit het onderzoek. Zowel in winstgevendheid als in marktmacht behoren de bankiers tot de top. Veel machtiger en winstgevender dan de artsen, laat staan dan de verzekeraars.

De hoogste winstmarges (winst afgezet tegen de omzet) worden door de banken (30 tot 35 procent) en de farmaceutische industrie (20 tot 25 procent) behaald, zo berekent Gupta.

Smits concludeert dat de mate waarin partijen gereguleerd worden afhankelijk is van hun machtspositie. „Wij reguleren precies de sectoren die niet zoveel macht hebben.” Er bestaat relatief weinig regulering voor winst waar de machtsposities hoog zijn, zoals medische stand en farmaceutische industrie. En er bestaat veel regulering voor partijen met een lage machtspositie zoals zorgverzekeraars, constateert Gupta.

Dat zorgverzekeraars volgens deze studie weinig macht hebben, zegt overigens nog niets over de onvrede over de verzekeraars, licht Smit toe. „Heb je de macht gekregen of verdiend? Weinig mensen hebben problemen met de macht van Apple, dat vinden we helemaal niet zo erg. Maar levert een zorgverzekeraar voldoenden meerwaarde? Dat is een heel andere discussie.”

    • Jeroen Wester