Seks en wetenschap

Seks en wetenschap hebben een problematische relatie. Seks is misschien wat te gecompliceerd voor de wetenschap. Maar wel uitdagend. Fysiologie, psychologie, biochemie, sociologie, geneeskunde en farmacie, theologie en antropologie. Ach, welk wetenschapsgebied strekt zijn begerige vingers niet uit naar seks?

De wetenschappelijke methode, hoe je het ook wendt of keert, bloeit op als eerst de gelegenheid bestaat om een probleem een tijdlang te reduceren tot detailprobleem. Daarna, als het goed gaat, komt de holistische blik.

Bestaat de G-spot?

Welke vorm heeft de penis tijdens de coïtus?

Is homoseksualiteit aangeboren?

Is klaarkomen noodzakelijk (of desnoods: nuttig) voor een psychisch gezond leven?

Simpele vragen. Toch?

Nou er is wat over afgeworsteld de afgelopen anderhalve eeuw. Het duurde lang voordat de biologen met hun kijk op seksuele driften, voordat antropologen, psychologen en theologen met hun kennis over maatschappelijk en menselijk gedrag en godsdienstige regels, en psychiaters en artsen met hun ideeën over afwijkingen enige vat op de glibberige materie kregen. En ieder decennium verandert alles, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals vrouwenemancipatie en ontkerkelijking.

Is er een wetenschapsgebied waarin duidelijker wordt dat feiten vaak níet waardevrij zijn? Wat moet je ook in een wereld waarin homoseks strafbaar is? Waarin enquête-antwoorden over het gebruikelijke seksleven van mensen vrijwel zeker onbruikbaar zijn vanwege de sociaal-gewenste antwoorden? En in een wereld waarin de farmaceutische industrie hard lobbyt om van ‘geen zin in seks’ bij vrouwen een ziekte te maken. Omdat er een lustopwekkende pil klaarligt. Die nauwelijks werkt.

Nee, daar loopt zelfs de beste relatie op stuk.

    • Wim Köhler