‘Ik had het lef niet om schrijver te worden’

Carolina Lo Galbo presenteert sinds kort VPRO Boeken. Ze maakte naam met interviews voor Vrij Nederland. „Ik zag het ego-gedrevene van de mannenwereld en dacht er het mijne van.”

Ze had een voorhoofdsholteontsteking, een loopneus en geen zakdoek. De camera liep. Carolina Lo Galbo (37) interviewde schrijver Tommy Wieringa voor VPRO Boeken. Sinds een paar weken is zij daar een van de twee nieuwe presentatoren. Ze zit tegenover me aan tafel en veegt met de mouw van haar vest langs haar neus en zegt: „Ja, ik moest toch íets.” Na afloop, toen de camera uit was, heeft ze de schrijver gevraagd of het erg opviel dat ze zo snotterig was. „Viel mee, zei hij in zo’n schitterende volzin van hem. Hij meende waar te nemen dat de warme lampen parels op mijn bovenlip toverden.” Ze schatert nu. „Hij dacht dat ik een zweetsnor had.”

Deze zondagochtend wordt haar gesprek met Tommy Wieringa uitgezonden. „Het is semi-live, er wordt nauwelijks in geknipt.” Ongemakkelijk om zichzelf als snotneus terug te zien? „Ik kan er totaal niet mee zitten.” Niet meer. Televisie heeft haar leren loslaten, zegt ze. „Je leest je in, bereidt je voor, de camera loopt, je doet je best. En dan is het goed of niet.”

Op televisie doet ze niets anders dan ze de afgelopen tien jaar deed als interviewer voor het weekblad Vrij Nederland. Voor die schrijversinterviews kreeg ze journalistieke waardering (een Luis en een nominatie voor de Tegel). „Een interview schrijven, is wezenlijk anders. Het vergt meer van me. De opbouw, de toon, waar leg je de nadruk op, hoe zet je iemand neer. Het is een kunststuk dat je eindeloos kunt bijvijlen en herschrijven.” Fnuikend, zegt ze, voor een perfectionist als zij. Vergeleken daarbij is een tv-interview een pas de deux, waarin zij durft te zijn wie ze ook is: een perfectionist met een loopneus.

En wallen, zegt ze en wrijft over haar gezicht. „Of nee, kringen.” Ze heeft een zoontje van 2 en een dochtertje van 6 maanden. Ze heeft, per sms, gevraagd of ik een rustige plek wil reserveren in het Amsterdamse restaurant. Ook vannacht heeft ze niet al te veel geslapen, waarschuwt ze. „Maar ik blijf er goed gehumeurd onder.” En direct erachter aan: „Ik ben wel gaar, hoor.” Gaar, maar alert. Alsof de woorden al gedrukt staan voor ze die heeft uitgesproken, weegt ze wat ze zegt. „Hoe ga ik dit zeggen…” Niet dat ze bang is om zich uit te spreken, zeker niet, maar ze wil niemand voor het hoofd stoten. Dat doet ze bewust. „Overbewust.” Als het even kan, wil ze voorkomen dat mensen een hekel aan haar hebben. „Ik hou van harmonie. Niet dat ik het conflict mijd maar ik zoek het niet op.”

Ze is de dochter van een Italiaanse vader en een Belgische moeder en ze weet niet beter of ze hoorde er nèt niet bij. „Mijn Siciliaanse peetoom deed grappend mijn beroerde Italiaans na, bij mijn Belgische familie voelde ik me de Hollander. Altijd was ik net anders.” Niet goed genoeg? Ze haalt haar schouders op. Misschien. „Het heeft me in elk geval opmerkzaam gemaakt voor de gevoeligheden van anderen.” Het maakte haar ook een insecure overachiever, een onzekere uitblinker. Mijn omgeving en ik, zegt ze, gingen niet altijd even goed samen. „Ik was een pleaser, zoals wel meer vrouwen. Ik paste me aan, maar dat ging ten koste van wie ik ben.”

Voor en na de burn-out

Zo komt het dat er een Carolina Lo Galbo is van voor en na haar burn-out. Daarvoor was het: „Heel hard werken, mijn positie veilig stellen, me handhaven.” Ze wilde altijd schrijver worden. „Maar daar had ik het lef niet voor.” Bovendien vonden haar ouders het niet meer dan logisch dat ze na haar gymnasium eerst een universitaire studie zou doen. Lo Galbo’s zus is kno-arts, haar broer psychiater, zij werd psycholoog. „Denken over het leven, mens-zijn, de psyche, achteraf de ideale studie voor wat ik nu doe.”

Op haar 26ste kwam ze bij Vrij Nederland. Schrijven voor zo’n gerenommeerd blad kwam het dichtst in de buurt bij wat ze eigenlijk had willen worden. „Ik had een enorme bewijsdrang.” Ze dacht echt, zegt ze, dat er geen grens was aan haar energie. De man met wie ze al 17 jaar samen is, rekende haar destijds voor dat ze met gemak de zeventig uur per week werken haalde. „Multifunctioneel fregat, noemde de eindredacteur me.” Ze formuleert nu behoedzaam. „VN was zinkende, de oplage daalde, het geld raakte op. Ik voelde die stress en de druk om het blad te redden. Tegelijkertijd was ik bang eruit gegooid te worden voor ik tot volle wasdom was gekomen.”

En toen werd ze ziek. Op haar 28ste. Een burn-out, of hoe je het ook noemt. In elk geval kon ze twee maanden niks. Daarna heeft ze haar wereld „kleiner en overzichtelijker” gemaakt, en dat doet ze nu nog steeds. De eerste stap: kiezen. „Alleen doen waar ik heel goed in ben en dat uitbouwen.” In haar geval was dat: interviewen. Het allerliefst schrijvers. „Achter een goed boek zit vaak een interessant persoon.” Stap twee: zelf haar interviews insturen om mee te dingen naar journalistieke prijzen. „Ik zag het ego-gedrevene van de mannenwereld om me heen, en dacht daar altijd het mijne van. Maar ik kan prijzen en prestige wel bagatelliseren, het wordt belangrijk gevonden.” Dus besloot ze haar „natuurlijke bescheidenheid” af te werpen en „hordes te nemen die ze niet als vanzelf” neemt.

Het effect bleef niet uit. De prijzen kreeg ze en „de buitenwereld” is haar gaan betitelen én waarderen als interviewer. Hoort bij hordes nemen soms ook: voor televisie gaan werken? Ze lacht. „Mijn motto is nu trial en error. Proberen kan altijd.” Ze kreeg, tijdens haar zwangerschapsverlof, een appje van de VPRO of ze bereid was een screentest te doen. „Dat ging best goed.” Ze werd uitgekozen en mocht, hup, op televisie. Ze staat noch in de schaduw, noch in de voetsporen van Wim Brands, die het programma bedacht en jarenlang presenteerde. „Ik kan niet anders doen dan ik ben, ik lijk niet op hem, ik hoef niet eens te proberen te doen zoals hij.”

Zelf geïnterviewd worden, is dat ook een horde? Ze zei meteen ‘ja leuk’ toen ik het haar vroeg. „Je vraagt waarom ik ‘ja’ zei? Dan vraag ik: waarom vroeg je me?” Ze vult het zelf vast in: „Er moest zeker een vrouw in de krant.” Ik antwoord: Nieuwe presentator van een programma waar veel NRC-lezers naar kijken. Nieuw gezicht, jong, en inderdaad, een vrouw. Dus waarom zei ze ‘ja’? Ze buigt voorover, vertrouwelijk. „Omdat ik het spannend vind om geïnterviewd te worden. Interessant.” Ze is twee keer eerder geïnterviewd, zegt ze. En? „Ik heb geleerd milder te zijn.” Ze heeft ervaren dat wat je zegt anders kan overkomen als het zwart op wit staat. „Mensen zeggen wat, maar zijn ze in een andere bui, dan zeggen ze wat anders.”

Misschien hadden we het bij deze lunch – zij een bonensalade, ik zalm – over iets heel iets anders gehad als ze niet net televisiemaker Sophie Hilbrand had geïnterviewd over haar burn-out. Ze heeft haar de tekst van het interview opgestuurd, in haar mailbox zit Hilbrands reactie. Die mail heeft ze nog niet durven openen. Ze blaast uit. „Onderhandeling achteraf over de tekst. Wat er mag blijven staan , wat eruit moet. Zo stressvol. Ik geef niet snel toe. Heb jij dat nou ook?”

Ze heeft ook nog stap 3, 4 en 5, en vast nog een paar, waarmee ze stress en overprikkeling probeert te reduceren. Ze heeft gewied in haar kennissenkring. „Ik wil alleen nog omgaan met mensen die ook in mij geïnteresseerd zijn.” Te vaak bleken contacten eenrichtingsverkeer met haar in de rol van luisteraar. „Ik bén een luisteraar. Voortdurend ben ik me bewust van hoe mensen kijken, wat ze zeggen en wat juist niet. Op den duur hoopt dat zich op.”

Een stoot adrenaline

Naar drukke borrels gaat ze nauwelijks. „Ik kom thuis met een stoot adrenaline en slaap helemaal niet meer.” Rond haar dertigste is ze verhuisd, weg uit Amsterdam, naar het prikkelarme Naarden. „Heel heilzaam voor iemand met mijn drive..”

Rest de vraag hoe het zit met haar ambitie schrijver te worden. Ze begint een zin, kapt die af, begint opnieuw. „Ik wil iets grappigs zeggen over het boek waaraan ik al een half leven werk, en dat me nog een half leven gaat kosten…” Een boek over…? „Over mijn Siciliaanse familie.” Voor een half-Siciliaanse is ze behoorlijk licht van huid en haar. „De Noormannen zijn ook op het eiland geweest. Ik heb roodharige nichten met groene ogen.” Dat boek, daar heeft ze een jaar lang elk vrij moment aan gewerkt. „Ineens zag ik mezelf bezig tijdens mijn vakantie in Zwitserland. Iedereen was ontspannen, maar ik zat weer in dat kamertje achteraf waar ik ook mijn tentamens leerde, m’n stukken tikte, en nu weer zat te ploeteren aan een boek en elke zin die ik bedacht uitwiste.” Ze ging er, zegt ze, zo onder gebukt dat ze heeft besloten het boek voorlopig te laten voor wat het is.

’ s Avonds blijft de computer uit en, sinds ze kinderen heeft, in het meestal weekend ook. Ze richt zich nu volledig op wat ze het beste kan én „fantastisch” vindt. Praten met mensen. „Een interview kan heel troostrijk zijn. Zeker toen ik zelf nog vrij gesloten was, zo voor mijn dertigste, vond ik het heerlijk om te lezen of horen hoe een ander het leven zag.”

Nu wil ze vooral haar „vaardigheden ontwikkelen”. Ze is zonder al te veel voorbereiding televisie gaan doen. Ze heeft iemand gevraagd haar optreden kritisch te beoordelen. Ik zeg dat ze al behoorlijk zelfverzekerd overkomt. „Echt? Vind je?” vraagt ze. Ze zou het vast goed doen als presentator van Zomergasten, het avondvullende interviewprogramma van VPRO. Ze lacht, bloost en doet er het zwijgen toe. „Eerst maar eens meters maken.”

    • Rinskje Koelewijn