Een marathon kun je beter zingen dan lopen

Vier vrienden die het liefst bier drinken en broodjes bal eten, lopen de marathon. Het scenario van de film, en nu de musical, is acteur Kees Boot en musicus Thomas Acda op het lijf geschreven.

Foto Lars van den Brink

De marathon telt 42 kilometer en 195 meter. Thomas Acda weet hoe dat voelt: hij liep ’m. En schreef vervolgens muziek en liedteksten voor De Marathon, de musical die is gebaseerd op de gelijknamige filmhit uit 2012.

De weg van Marathon naar Athene Een lekker zonnetje, wat kan er mis Maar op zo’n veertig kilometer Voelt die eerste metervreter Zich ineens niet meer zo lentefris

Deze woensdag zitten Kees Boot en Thomas Acda aan een tafeltje in de Maashal van het Nieuwe Luxor in Rotterdam. Het is nog stil: het publiek voor de eerste try-out van drie songs komt straks pas, zo’n 1.500 lopers van de Rotterdam Running Crew. In het hardloopshirt van De Marathon zullen ze na die try-out negen kilometer door de stad rennen, van het Nieuwe Luxor naar het Oude Luxor en weer terug.

In de musical speelt Kees Boot Leo, één van vier Rotterdamse vrienden die op het idee komen om gesponsord de marathon te lopen, wanneer de garage waar ze werken failliet dreigt te gaan. Vanavond draagt hij hetzelfde shirt als het publiek, en een kort broekje, het spant om zijn lijf. Dat is ook de bedoeling. Leo, Gerard, Kees en Nico, de vier vrienden, drinken bier, eten broodjes bal en zitten te paffen voordat ze besluiten om samen de marathon te lopen.

Ook Thomas Acda en Kees Boot zijn vrienden, al sinds ze elkaar meer dan twintig jaar geleden leerden kennen op de toneelschool. Paul de Munnik hoort ook bij het vriendenploegje. En Frank Lammers (die Kees speelde in de film).

Thomas Acda: „Kees heeft mijn haar grijs zien worden en ik heb dat van hem zien verdwijnen.” Kees Boot: „Thomas heeft mijn eerste werk voor mij geregeld. En woonruimte, daar heb je toen ook voor gezorgd.” Thomas Acda: „Kees heeft veel aan mij te danken, haha.”

Vriendschap, liefde en de dood. Daarover gaat De Marathon – één van de vier vrienden valt een paar honderd meter voor de finish dood neer. En daarover gaat ook Thomas Acda’s eerste boek Onderweg met Roadie, dat anderhalf jaar geleden verscheen. Eigenlijk gaat het hele leven daarover, vindt hij. Vinden ze. Dus daar gaan we over praten: vriendschap, liefde en de dood.

Maar eerst even: Thomas Acda liep dus de marathon van New York. Negen maal, vertelde hij de afgelopen tijd een paar keer in interviews.

Ik heb je tijden nagekeken.

„Oh ja? Het werd steeds slechter, hè.”

En ik vond er maar vijf. Waar heb je die andere marathons gelopen?

„Ja, weet je, dat is een beetje een punt. Ik heb in een paar interviews negen gezegd, maar dat is helemaal niet waar. Eéntje heb ik niet uitgelopen, dus dat valt mee. Maar ik had er negen gegeven aan het karakter van mijn boek. En dat ben ik gaan herhalen (Hier begint Kees Boot te lachen, steeds harder). Maar ik was ook al aan het rekenen laatst, ik denk: hè, als ik in 2001 begonnen ben…”

In 2003 ben je begonnen.

„Ook nog ’ns. Dat was mijn eerste, die liep ik in 4 uur 19,22. Of 4 uur 22,09. Hoe dan ook, dat was heel goed.”

De keer daarna had je het zwaar, toen heb je er een uur langer over gedaan.

„Ja, toen was ik ongetraind. Daar was ik eigenlijk teleurgesteld over: die daarvoor, daar had ik acht maanden voor getraind. Dus ik dacht: als ik niet train loop ik maar een uurtje langzamer. Terwijl, dat scheelt acht maanden werk.”

Hoe kwam je erbij om te gaan lopen?

„Ik hoorde erover praten. Ik vroeg: waar gaat dit over? Het was ’s avonds in de kroeg, ik had een pilsje in mijn ene hand en in mijn andere een bitterbal. Ze zeiden: de marathon, over een jaar. En jij loopt ook mee. Toen dacht ik: dat is wel een goed idee, een stok achter de deur. Val ik wat af. Ben ik fit als het theaterseizoen begint. En daarna blijf je fit, want je traint. Als je traint. Jij had ook marathons gelopen, hè? Hoeveel?”

Zeven.

„Nououou… zeven? Je weet nu dat ik er vier bij gelogen heb in al die interviews. Vijf misschien, heb je er vijf gelopen? Waar heb je die gelopen? In Rotterdam? Is die makkelijk? Nou ja weet je, ik hou eigenlijk helemaal niet van marathonlopen. Het was een smoes om naar New York te kunnen.”

En nu hoor ik jou, mij vragen Lijkt je rennen toch niet stiekem leuk Joh, ’k kan niet wachten Tot ik echt de allerlaatste vezel Van dit schitterende lijf verneuk

Kees Boot: „Ik heb nog nooit het eerste half uur gehaald. Ik ga wel naar een sportschool, sinds ik daar een keer naar binnen ben geluld. Daar gingen meer acteurs naar toe en dat helpt wel. Want dan kun je zeggen: jij bent er straks ook, hè. Dus voor je het weet sta je daar elke keer met dezelfde mensen een fucking zware training te doen. Ik heb mijn zoon een keer meegenomen: die moest lachen omdat ik elke keer zo kapot thuiskwam. Helemaal stuk zat-ie daarna. Daar heb ik veel respect mee gewonnen.”

Wat betekent jullie vriendschap voor jullie?

Boot: „Wat ik prettig vind aan onze vriendengroep is dat we er allemaal zijn als er wat gebeurt, zoals bij het overlijden van een van onze ouders. Want dat is niet vanzelfsprekend.”

Acda: „Nou, dat vind ik wel.”

Boot: „Ja, voor ons.”

Acda: „Toen ik ging scheiden zat ik heel lang in een hotel. En toen belde Frankie, Frank Lammers: kom eten. Kwam ik daar, had-ie een kamer voor me ingericht. Daar kon ik altijd slapen, zei-ie. Hij had alleen wel overal de PSV-vlag opgehangen: aan alle muren, op het bed, over het bureau.”

Boot: „We hebben als vriendenploegje ook een pooltoernooi, Korte Keu. Dat is thuis bij Frank. Die hebben we een keer een pooltafel gegeven die eigenlijk te groot is voor de ruimte waar-ie in staat. Op sommige plekken in de kamer heb je een kortere keu nodig.”

Thomas Acda laat een hand zien met een vreemd vergroeide nagel, aan een vinger die een beetje krom lijkt te staan. „Heeft mijn zoon gedaan. Die heeft mijn vinger gebroken, de laatste keer dat ik met hem vocht. Hij is veel sterker dan ik.”

Boot: „Finn?” (Finn-Paul, 17 jaar, is deels vernoemd naar Paul de Munnik)

Acda: „Ja, het was wel grappig. Hij was er ook best trots op.”

Boot: „Haha, papa kan geen gitaar meer spelen?”

Acda: „Nou, ik moest inderdaad een paar dagen later nummers opnemen, dus op mijn eigen plaat heb ik niet gespeeld. We waren aan het boksen, dat doen we heel vaak, middenin de woonkamer hebben we een enorme bokszak hangen. Maar mijn zoon is nu zo groot en sterk, dat is een en al pees en kracht. Dus hij gaf me een paar knallen en ik dacht: ik haal effe uit met een nierstoot en dan zeg ik sorry en dan staan we weer quitte. Maar ik haal uit, hij trekt zijn knie op en mijn vinger… hij stond helemaal zo. En die nagel zat hier nog vast, maar daar niet meer. Ik was er echt een beetje misselijk van, dus ik dacht: ik zet hem recht, ik heb nu toch pijn. Dus ik doe knak. Toen werd hij een beetje misselijk, haha. En ik moest gaan liggen, dus hij met natte washandjes in de weer. Een uur later zaten we samen in het ziekenhuis, daar had hij voor gezorgd. Dat is wel liefde, vind ik.”

En die bode viel hop, dood neer En dat vieren we nu nog ’ns keer op keer Met het aller, allerdomste Dat ooit een mens verzon De marathon

En de dood?

Boot: „In De Marathon is Gerard natuurlijk al ziek. Hij heeft kanker.”

Acda: „Hij gaat niet dood aan de marathon.”

Boot: „Maar het helpt niet mee, laten we het daarop houden.”

Acda: „Ik heb wel dooien gezien hoor, bij die marathons. Bij de Dam tot Damloop, zelfs. Heb je die ook gecheckt, mijn tijden bij de Dam tot Dam? 1 uur 31 voor 16 kilometer, was dat.”

Dat is heel snel.

Acda: „Ja hè, dat vond ik ook. Daarna moest ik naar een cd-presentatie. Toen heb ik niet veel gedronken, dat zie je ook nog op de foto.”

Boot: „Mijn ouders, ik hoop…”

Acda: „Komen die ook op die gezellige begraafplaats te liggen? In Dronten?”

Boot: „Paul en ik komen allebei uit Dronten.”

Acda: „Toen we Paul z’n vader gingen begraven, was het daar een soort zandvlakte met een gat erin. En het sneeuwde ook nog, die dag. Het was de treurigste plaats waar ik ooit iemand achtergelaten heb.”

Boot: „Het is geen goeie begraafplaats, nee. Zorgvlied, daar kun je op een mooie zondagmiddag nog gaan wandelen. In Dronten heb ik dat nul-komma-nul. Maar het ziet ernaar uit dat mijn ouders daar toch echt willen gaan liggen.”

Acda: „Het maakt niet veel uit natuurlijk, als je dood bent.”

Nog één vraag: is het gelukt om in De Marathon te praten met een Rotterdams accent?

Boot: „Ik hoop het. Er komen hier nu af en toe van die dames langs, daar zit je dan mee te ouwehoeren en zolang zij het voordoen, lukt het wel. Maar zodra er straks spanning op komt en er zit publiek… Maar goed, gezeik krijg je altijd. Ik hoop dat ik er een beetje mee wegkom.”

Acda: „Gezeik krijg je altijd, maar als ze het een beetje in het goeie accent doen, dan leer je er weer van. Ken je het nadoen.”

De Marathon, in de regie van Job Gosschalk. Première: zondag 19 maart, Nieuwe Luxor Theater in Rotterdam. Daarna tournee. de-marathon.nl
    • Gretha Pama