De E-klasse rijdt BMW-achtig goed

Een stationcar is en blijft een goeie auto, zegt . De Mercedes E-klasse Estate bewijst dat.

De Mercedes E-klasse Estate herinnert eraan dat stationcars zo heerlijk zijn. (Deze is gefotografeerd bij Mercedes Benz Naaldwijk) Foto Peter de Krom

Wat was er mis met de stationcar dat hij uit de gratie raakte? Waarom moest iedereen zo nodig aan de suv of mpv ? Schoonheidsdrang kan het motief niet zijn geweest. Veel mpv’s waren weliswaar echt groot, treincoupés met zeven zitplaatsen, maar ze waren ook een plaag voor het oog met die uitgezakte teckellijven. Evenmin zouden fabrikanten puur voor de ruimtewinst crossovers bouwen, suvs en aanverwanten die de stationcar ten onrechte in populariteit versloegen. De meeste suvs lijken groter door hun hoge bouw, maar op de grootste exemplaren na zijn ze het allesbehalve.

Of was de ‘station’ soms niet multifunctioneel genoeg? Alweer een misverstand. Ze rijden beter dan die nepterreinwagens en in het Hollandse verkeer zijn ze met hun beschaafdere proporties stukken handzamer.

Hoera! In het Duitse tijdschrift Autobild vond ik een vergelijkende test van negen stationcars en negen suvs van dezelfde merken. In zeven van de negen gevallen boekte de stationcar een vaak dubbele overwinning op de criteria ruimte en rijeigenschappen. Die oude combi was zo gek nog niet.

Maar in de onverslijtbare formule is de klad gekomen. Eerbare lastezels werden verdrongen door de lifestylecombi, waarbij de ruimte werd geofferd aan sportief bedoelde lijnen. Audi luidde de trend in met de Avant-modellen, stations die met hun schuin geplaatste achterruit en fiere motoren de strijd met hun Ikea-stigma aanbonden. Tegenover het nadeel dat ze minder Billy-bouwpakketten konden vervoeren stond het winstpunt dat familievaders zich in hun Avants weer echte mannen voelden.

De business draait op ego. Daarom trekt sindsdien van BMW tot Volvo iedereen die lijn. Alleen de Skoda Superb Combi en de VW Passat Variant bleven met laadvolumes van 1.950 en 1.780 liter trouw aan de klassieke stationmaatstaven.

De E-klasse Estate van Mercedes is vanaf heden optie drie. De bagageruimte omvat een indrukwekkende 640 liter, met neergeklapte achterbank ontstaat een transportcapaciteit van 1.820 liter. Aanzienlijk meer dan zijn voornaamste concurrenten, de Audi A6 Avant en de nieuwe BMW 5-serie Touring. De E voldoet aan mijn criterium dat een combi meetelt als ik er met gestrekte tenen in kan liggen zonder de achterklep te raken. Mercedes kent dan ook een lange traditie van grote, degelijke stationcars die functie boven schoonheid stellen. Tegen bijbetaling kunnen ze zelfs in mpv-achtige zevenzitters worden omgetoverd. Voor in de kofferbak was altijd een inklapbaar kinderbankje te bestellen met de rugleuning tegen de rijrichting in, zodat het kroost vrij uitzicht had naar achteren. Goddank: nog steeds te koop voor 1.500 euro. Zo lief.

Dit is de meest rationele transporter van Mercedes; een bedrijfswagen met alle kwaliteiten van een personenauto. Niet eerder reed een combiversie van de E-klasse zo BMW-achtig goed. Veel meer dan de voornamelijk op comfort afgestemde voorgangers kan de prettig bijna-zwaar sturende auto het duel met de Avant-club aan. De term ‘basismodel’ klinkt te magertjes voor de door mij gereden E200, die met zijn tweeliter viercilinder turbo en 184 pk al 230 kilometer per uur haalt. De motor is ongekend stil en soepel bij een verbruik van 1 op 13, met enige inspanning zelfs 1 op 16.

De soberheid is bij Mercedes-Benz verleden tijd. Hij is me bijna te luxe. De Estate heeft altijd een automaat met negen versnellingen, altijd elektrische ramen, altijd airconditioning. Achter de schermen waakt een leger veiligheidssystemen continu over het vege lijf. Een virtuele verkeersassistente maakt een komisch pro-actieve indruk. „Einde file vooruit”, zegt een computervrouwenstem als ik op de A6 weer gang in het verkeer zie komen. Maar mevrouw, ik ben niet blind! En wie bent u eigenlijk?

De E Estate blaast zijn wat verweesde genre elegant nieuw leven in. Hooguit is hij te glossy. De kracht van oudere Mercedes-combi’s was hun chique eenvoud. Ze verenigden de hoogste bouwkwaliteit en een dito comfort met een haast socialistische ascese. Ik zou een gat in de lucht springen als Mercedes een classic-versie uitbracht die zijn moderne veiligheidsvoorzieningen paarde aan de nobele onthouding van destijds; analoge klokken, retro-bekledingsstoffen met de zogenaamde karo-ruit en de sfeervolle uni-kleuren van vroeger. Ik zou hem kopen. Verreweg de fijnste station op de markt.