Recensie

Uit het hart van blank en boos Amerika

Sociologie

Onthutsende schets van hillbilly-families illustreert het verval van de Rust Belt en verklaart het succes van Donald Trump.

Bewoners van het staalstadje Youngstown, Ohio. De foto is onderdeel van een serie over armoede in de Rust Belt-staten. Foto Bloomberg

‘U zult dit jaar geen belangrijker boek lezen over Amerika’, schreef de recensent van The Economist geïmponeerd. Hij of zij leek zelfs een beetje geschokt. Want Hillbilly Elegy – A Memoir of a Family and a Culture in Crisis, van J.D. Vance is niet alleen een openhartige autobiografie, maar ook een onthutsende beschrijving van de culturele kloof die de Verenigde Staten verdeelt.

Vance (1984) groeide op in Middletown, Ohio, als kleinkind van migranten uit de heuvels van Kentucky. Daar kwam na de Tweede Wereldoorlog een Grote Trek op gang naar de industriesteden van wat nu de Rust Belt is - Indiana, Ohio, Pennsylvania. Grootmoeder Bonnie raakte op haar veertiende zwanger en vluchtte met haar lief naar Middletown, waar hij aan de slag kon in de plaatselijke staalfabriek. Toch bleven hun nakomelingen als rechtgeaarde ‘hillbillies’ hun familiebanden in Kentucky koesteren. Twee generaties en een reeks bedrijfssluitingen later wordt de familie geteisterd door werkloosheid, huiselijk geweld en drankzucht.

‘Hillbillies’, bergschorem, is zowel een scheldwoord als een geuzennaam. In de ongunstige betekenis staat het voor grofgebekte lieden die zich met moeite aanpassen aan het leven in een grote stad. Daar heeft men rekening te houden met de buren, door geen hopen afval te laten liggen in de tuin en huiselijke ruzies niet uit te vechten met schreeuwen en rondvliegend vaatwerk.

Als er al werk is, gaat het salaris vaak op aan drank en bijna iedereen zit in de schulden

De schrijver weet uiteindelijk aan dit milieu te ontsnappen. Volgens hemzelf dankzij een vechtlustige, vuilbekkende, maar liefhebbende grootmoeder (zijn moeder versleet meerdere mannen en raakte al jong verslaafd) en de disciplinerende werking van drie jaar Marine Corps. Op zijn tweeëndertigste, met een graad van Yale op zak, kijkt hij terug met een mengeling van mededogen en afgrijzen.

Vance beschrijft zowel de voorvaderlijke heuvels van Kentucky, waar hij menig vakantie doorbracht en leerde schieten van knoestige oudooms, als Middletown, de stad van zijn jeugd. Daar vormden arbeiders met een hillbilly-achtergrond, door het staalbedrijf met hele families tegelijk gerekruteerd, een gemeenschap op zich, waar de keurige middenklasse het zijne van dacht. De staalfabriek werd in de jaren 70 overgenomen door de Japanse motormagnaat Kawasaki, en dat was een teken aan de wand. Sinds de jaren 90 kwamen er geen banen meer bij, en raakte menige staalarbeider werkloos.

Noodlottig samenspel

De elegie (treurzang) van Vance gaat over het noodlottige samenspel van macro-ontwikkelingen in de Amerikaanse economie, zoals het vertrek van arbeidsintensieve bedrijfstakken naar elders, en de groepscultuur van deze eerste generatie industriearbeiders. Het bergvolk van weleer vormt een fragiele schil rond de oude industriecentra van het noorden. Toen de fabrieken hun poorten sloten, verhuisden beter opgeleide en meer ondernemende stadgenoten naar elders. De meeste hillbilly-migranten zaten opgesloten in verloederde stadswijken, want zij hadden alleen schulden en hun woningen waren nog maar weinig waard.

Vance schrijft zonder terughoudendheid over zijn familie en buurtgenoten, hun losgeslagen levensstijl en bizarre gedragscodes. Hij herkent hun reflexen als ze kritiek krijgen: vluchten in stug stilzwijgen of erop los slaan. Wie niet voor zichzelf opkomt, is een watje, en wie op het schoolplein of in de kroeg je moeder of zuster beledigt, kan een dreun krijgen.

We hebben het altijd over onszelf als ‘hardwerkend volk’, schrijft Vance, maar het valt velen niet mee lang bij één baas te blijven. Regelmatig werkverzuim leidt al even vaak tot ontslag. Als er wel werk is, gaat het salaris vaak op aan drank en bijna iedereen zit in de schulden. Want het uitgavenpatroon staat dikwijls niet in verhouding tot de inkomsten.

De familiebanden tussen migranten uit de bergen mogen dan hecht zijn, hun gezinsleven is zelden florissant. De meesten leven in onvolledige gezinnen. Kinderzwangerschappen zijn gewoon, net als weggelopen vaders. Kinderen groeien op met de wisselende partners van moeder, tussen het lawaai van ruziënde ouders.

Ontsnappen aan dit milieu vereist een goede opleiding. Maar de omstandigheden zijn ongunstig. Leergierige kinderen worden door hun leeftijdgenoten weggezet als ‘sissies’, schoolverzuim komt veel voor en thuis is er vaak niet de rust om huiswerk te maken.

Migrantenfamilies in Middletown zijn bovengemiddeld religieus, maar dat gaat niet altijd gepaard met regelmatig kerkbezoek. Oma Bonnie vloekte als iemand begon over ‘organized religion’. Haar credo was dat ‘God helpt wie zichzelf helpt’. Anderen zijn aangesloten bij fundamentalistisch-evangelische gemeenten, waar voorgangers somberen over het algemene zedenbederf en de naderende Eindtijd.

Pessimistisch

De berooide blanken van Middletown hebben weinig vertrouwen in de toekomst. En zij niet alleen. Geen groep Amerikanen is pessimistischer dan blanken uit de arbeidersklasse. Onderzoeksbureau Pew ging in 2012 na hoe Amerikanen hun kansen inschatten op economische vooruitgang. Ruim de helft van zwarten, Latinos en hoger opgeleide blanken verwacht dat hun kinderen het economisch beter zullen doen dan zij. Onder blanke blauwe-boordenwerkers deelt maar 44 procent die verwachting. Liefst 42 procent van blanke arbeiders – de hoogste score in het onderzoek – meldt dat zij minder economisch succes hebben dan hun ouders.

Hillbillies ontlenen hun identiteit aan hun vurige vaderlandsliefde. Het bergdistrict van herkomst leverde in beide wereldoorlogen recordaantallen vrijwilligers. En toch voelt deze gemeenschap zich politiek en cultureel verweesd.

Vance beschrijft de stemming in 2008 zo: ,,Wij waren een cultuur zonder helden. Reagan was allang dood, en George W. Bush had weinig fans. Velen hielden van Bill Clinton, maar nog veel meer mensen zagen hem als symbool van Amerikaans moreel verval. We hielden van ons leger, maar ik betwijfel of mijn buren een hoge militair bij naam konden noemen. Het ruimtevaartprogramma, lang een bron van trots, was de dodo achterna, en daarmee beroemde astronauten. Niets verbond ons nog met het weefsel van de Amerikaanse samenleving. Wij voelden ons gevangen in twee niet te winnen oorlogen, waarin een bovengemiddeld aantal soldaten uit onze buurt meevocht, en in een economie die de meest wezenlijke belofte van de Amerikaanse Droom niet inloste: een vast salaris.”

Barack Obama was de meest bewonderde man van Amerika, maar de meeste Middletonians bezagen hem met wantrouwen. Hij had een Ivy League opleiding, praatte als een jurist, in accentloos Engels, en blaakte van het zelfvertrouwen, als een product van de moderne Amerikaanse meritocratie. Dat hij in zijn jeugd had moeten knokken wist niemand. De Democraten verspeelden het laatste beetje sympathie bij de blanke onderklasse toen Hillary Clinton hen tijdens de campagne van 2016 wegzette als ‘a basket of deplorables’. De culturele afstand had niet groter kunnen zijn.

En toen was daar Donald Trump, steenrijk, maar met het taalgebruik van een gewone jongen, die een terugkeer beloofde naar op volle kracht draaiende fabrieken, werk aan wegen en bruggen, Reagans stralende ‘City on a Hill’.

De rest is geschiedenis.

    • Dirk Vlasblom