Recensie

Smullen van een plakje hersenen

Als iets de verhalen van Gerda Blees en Jamal Ouariachi bindt dan is het wel onontkoombaarheid.

In één van de verhalen draait het om een ontstekende vleeswond in een been, waar de vliegen al in komen grazen als de beeneigenaar nog in leven is. In een ander verhaal staat een Amsterdamse kannibaal centraal, die een moddervette Aziatische toerist op het menu heeft staan. En de titel slaat op het openingsverhaal, over een plakje menselijke hersenen, in een medisch lab uit een lijk gevist en naar huis meegenomen in een folietje.

Smakelijk! Voor wie zich afvraagt of dat niet een onsje minder had gemogen, in de verhalenbundel Herinneringen in aluminiumfolie: nee, juist liever niet. Jamal Ouariachi (1978) heeft sowieso een hekel aan onsjes minder, literaire onsjes die wel zijn bekritiseerd in de kritieken van zijn (dikke) romans Vertedering (2013) en Een honger (2015). Bij hem zul je geen uitgebeende zinnen aantreffen, geen slijpschrijverij van zinnen waarin al het wezenlijke tussen de veelbetekenende regels door vermeld wordt. Hij heeft een hekel aan ‘spaarpotproza’, zoals hij die stijl zelf noemt in het nawoord van Herinneringen in aluminiumfolie. Daar pleit Ouariachi ervoor dat ‘schrijvers de lezer weer geven wat hem of haar toekomt’. En dus niet ‘dat verkrampte reductionisme waar je mensen mee wegjaagt’.

Hij pleit voor ‘kampvuurverhalen’. Dus je kunt van alle verhalen in Herinneringen in aluminiumfolie wel weer zeggen dat het een onsje minder had gemogen, maar dan heb je er niet veel van begrepen.

Betrokkenheid afdwingen

Ouariachi is een dankbaar polemist en citeert een paar ‘ongeïnspireerde flutzinnen’ om de spaarpot-trend in het Nederlandse korteverhalenaanbod te schetsen. Daar heeft hij een punt, maar dat kampvuurtje brandt intussen óók, zou ik zeggen. Er zijn steeds meer verhalenvertellers bij wie het vertelplezier ervan af spat, die niet alleen spelen met de lezer maar de lezer ook wat te spelen geven. Vorig jaar was er al de heerlijk unheimische verhalenbundel Engels voor leugens van Bertram Koeleman en onlangs debuteerde Gerda Blees (1985) met Aan doodgaan dachten we niet, vol kampvuurverhalen.

De titel van Blees’ bundel is de rode draad: de mensen hangt de dood boven het hoofd, meestal zonder dat ze dat in de gaten hebben. Zo is er het uitstekende openingsverhaal ‘Zomerkroos’, waar meteen een omineuze, gerobotiseerde machine met een grijparm boven een kroosrijk grachtje hangt. ‘Maar op de machine letten we niet. Wij vertegenwoordigen een menselijker perspectief’, aldus de opmerkelijke – want erg aanwezige – verteller. Die introduceert even later een jongetje dat op de kade zit te klungelen met een pingpongbal. Voelbare dreiging.

‘Laten we eens rustig in- en uitademen en kijken wat we zien’, noteert ook al zo’n intrigerende verteller in ‘Kleine mis’, waar een tienermeisje bewusteloos aangetroffen wordt in een toilethokje.

Niet elke keer is de verteller zo aanwezig, en trouwens: niet elk van de tien verhalen van Blees is even sterk. Je hebt soms de indruk naar gezochte soapdramatiek te zitten kijken (zoals in ‘Blauw, blauw’, waarin een vrouw een gestolen baby in de vriezer verstopt). Dan willen de feiten veel teweegbrengen, maar zonder te overtuigen. Echte betrokkenheid voel je in de beste verhalen, en dan komt dat steeds doordat Blees niet rechttoe-rechtaan vertelt, maar durft af te wijken, en dat technisch tot een goed einde brengt. Met dat pingpongbaljongetje en het tienermeisje voelen we mee, omdat we er, dankzij die verteller, in alwetendheid bij staan, terwijl de arme stumpers het noodlot niet zien aankomen.

Dat is ook een effect van de bundeltitel: die krijgt voorspellende waarde. Blees’ verhalen confronteren ons ermee dat het noodlot onafwendbaar is, terwijl wij, lezers, het zien aankomen en even machteloos als verlekkerd staan toe te schouwen. Dat het noodlot ze toch niet voorspelbaar maakt, komt domweg doordat Blees goed en origineel schrijft.

Onontkoombaarheid, een stijl die betrokkenheid afdwingt, is ook de kracht van Ouariachi’s bundel. De verhalen in Herinneringen in aluminiumfolie zijn bovendien van constante, hoge kwaliteit: dat ze bijna allemaal al eerder op verzoek geschreven zijn, is de verrassing van de verantwoording, want als de bundel iets niet is, is het een verzameling bijeengesprokkelde kliekjes. Dat is indrukwekkend, want de verscheidenheid in genres is wél enorm: de bundel loopt uiteen van klassieke geschiedenis (‘Sabotage’) en psychologische verslaglegging (‘Minder niets meer’) tot satire (‘De brug’) en horror (‘De Toeristenslager’).

De eenheid zit ’m in Ouariachi’s aanpak, die lezers van zijn uitmuntende roman Een honger zullen herkennen: Ouariachi bepaalt de regels en weet onze ideeën te kantelen. Een plakje hersenen kun je óók ‘herinneringen in aluminiumfolie’ noemen: door anders te kijken en erin te geloven, verander je de betekenis. Zo kantelt Ouariachi met zijn verhalen graag onze waarneming, en stelt hij onze verwachtingen op de proef – en telkens op smakelijke wijze. Erg grappig, en tegelijk confronterend.

Sji’itische weirdo’s

Bijvoorbeeld in ‘De Moslim Sportvissers Club’, over, ja echt, een clubje islamitische sportvissers. Dat gegeven is al grappig, en nog meer als de verteller verzoekt: ‘Verwar ons alsjeblieft niet met Ali’s Hengelsport Genootschap, dat is een club sjiitische weirdo’s’. Die vissers vinden een vrouwenlijk in een riviertje en slaan om praktische redenen niet meteen alarm – en om nog een reden: ‘Ken je die grap van de vijf onschuldige moslims en de dode blonde vrouw? Nou dan. Dat bedoel ik.’

Het beste verhaal is ‘Come Together’, waar een blind date eindigt in het appartement van een man die almaar onsympathieker wordt en de deur vergrendeld blijkt te hebben. De vrouw neemt dan gruwelijk wraak, zo gruwelijk dat je weer sympathie voor de man krijgt, die óók weer een truc achter de hand heeft, waardoor hij er slecht uitkomt.

Met een vooroordeel of eenduidige moraal kom je er niet, toont hij. En dat doet hij in een verhaal om van te smullen: smullen van de zinnen waarin geen woord te weinig staat, van de humor, de dubbele bodems.

De hoofdpersoon van het titelverhaal laat haar hoofd op hol brengen door het plakje herinneringen en de nachtmerrie die ze erover krijgt, en zegt: ‘Maar droom of niet: er was iets in mij veranderd. Als producten van de geest revoluties konden veroorzaken, zoals de geschiedenis leert, waarom zou je een droom dan niet als een levensveranderende gebeurtenis kunnen beschouwen? Voor het brein maakte het in wezen niet uit, echt gebeurd of hallucinatie; dezelfde soort hersenactiviteit was erbij betrokken.’

Dat is de zelf gestelde opdracht die Ouariachi ook volbrengt, in alle tien de verhalen. Want wat hij ook vertelt, echt gebeurd of hallucinatie, Ouariachi overtuigt altijd. En hij brengt iets in je teweeg.

    • Thomas de Veen