Recensie

Sex Pistol Jones werd grauwe duif

Popgeschiedenis

Steve Jones van de Sex Pistols en Iggy Pop van The Stooges gaan los over hun wilde popjaren. Diefstal, harddrugs, incest, seks en zo verder. De een ging er beter mee om dan de ander.

De carrière van punkgroep The Sex Pistols begon met een misdaad. In 1973 stal toekomstig Pistols-gitarist Steve Jones alle apparatuur van David Bowie uit de concertzaal Hammersmith Odeon, op de avond dat Bowie er zijn laatste optreden gaf als Ziggy. Vanaf 1975 zouden de Sex Pistols via deze versterkers hun anarchistische punknummers verbreiden.

Steve Jones stal eigenlijk alles wat hij in Londen tegenkwam. De jas van Keith Richards, levensmiddelen, auto’s en complete inventarissen. Jones kwam er doorgaans mee weg, want hij werd, zo meende hij, beschermd door een ‘mantel van onzichtbaarheid’ – diezelfde mantel die hem zou bedekken tijdens zijn latere drugsverslaving en -transacties. Dat schrijft Steve Jones, nu 61 en al vele jaren gevestigd in Los Angeles, in zijn memoires Lonely Boy. Tales From A Sex Pistols.

Jones neemt een iets te lange aanloop over zijn moeizame jongensjaren, met een hoofdrol voor een stiefvader en diens seksuele handelingen, waaruit Jones zijn neiging tot verslavingen en een onvermogen tot vaste relaties, verklaart. Maar zodra muziek een prominente rol gaat spelen wordt Lonely Boy een onderhoudend en onthullend levensverhaal.

Onthullend zijn zijn intense afkeer van Johnny Rotten (‘Geslaagde jukbeenderen, maar een rattig humeur’), en zijn visie op Malcolm McLaren, de door zanger Johnny Rotten zo gehate manager van The Sex Pistols, die volgens Jones toch ook waardevolle ideeën had. McLaren wist hoe je de media moest bespelen, bijvoorbeeld. Al steunde Jones uiteindelijk Rotten toen hij McLaren na het uiteenvallen van de band voor de rechter sleepte, omdat alle inkomsten van de muzikanten door McLaren in een – geflopte – film geïnvesteerd bleken.

The Sex Pistols ontstonden in de winkel van McLaren en echtgenote Vivienne Westwood waar de jonge Steve Jones zijn toevlucht zocht toen hij uit huis was gezet. Samen met jeugdvriend Paul Cook (drums), bassist Glen Matlock en de door McLaren op zijn scharminkelige uiterlijk en oranje haar geselecteerde Rotten, bedachten ze rudimentaire rocksongs, met opruiende teksten (‘God Save The Queen’, ‘Anarchy In The UK’).

Dat The Sex Pistols beroerde muzikanten zouden zijn, weerspreekt Jones. Hij leerde zichzelf wel degelijk gitaar spelen, gesteund The Stooges. Extra geconcentreerd door de pillen, kon hij nachtenlang oefenen op nummers van The Stooges, de band van Iggy Pop, en The New York Dolls. ‘Anders stond ik nu echt niet op de 97ste plaats van de Top 100 van Beste Gitaristen ooit, zoals samengesteld door Rolling Stone’.

Vanaf het moment dat de aan harddrugs verslaafde bassist Sid Vicious bij de band kwam, in maart 1977, liepen de ruzies en schandalen uit de hand. McLaren bedacht dat ze hun single ‘God Save The Queen’ moesten uitvoeren op een boot op de Theems, vlak voor het feestelijke jubileum van Koningin Elizabeth. Het tochtje, dat veel publiciteit kreeg, wekte de volkswoede op. De muzikanten werden in elkaar geslagen. Daarna konden The Sex Pistols in Engeland alleen nog onder schuilnaam optreden, zoals The Hamsters, of: A Mystery Band Of International Repute.

Na tweeëneenhalf jaar spatte de band uit elkaar, door ruzie tussen Rotten en McLaren, tussen Jones en Rotten en tussen Sid Vicous en alle anderen. Daarna was Jones, zoals hij schrijft, vooral bekend als ‘gitarist van de meeste gehate band ooit’. Pogingen om nieuwe groepen te vormen met andere schipbreukelingen van de punk-stroming, strandden in apathie en drugs.

Jones werd huurmuzikant, onder anderen bij Iggy Pop en Bob Dylan. Inmiddels verhuisd naar New York, waar hij zijn paspoort verpatste en voorlopig niet naar Londen terugkon, bereikte hij naar eigen zeggen zijn dieptepunt. Hij kreeg verkering met een mede-junkie en samen verkochten ze reclamefoto’s van popsterren als Heart en Peter Frampton op straat. De ooit zo modebewuste Jones – hij was achtereenvolgens Teddy (rockabilly), skinhead (reggae-liefhebber) en punk – liep in vuile sweater en te wijde broek te sjacheren voor drugs. Hij schrijft: ‘De pauw uit de Pistols-dagen was een grauwe duif geworden.’

Tijd om af te kicken. Al duurde het nog een paar jaar voordat hij zijn drugs-, seks- en alcoholverslaving overwon, middels de twaalf stappen van de Alcoholics Anonymous. Intussen versierde hij mede-verslaafden tijdens AA-sessies, en logeerde in Los Angeles op de bank bij vrienden, die hij bestal.

Na de geslaagde kuur bij AA, begon Jones enkele bands met namen als The Neurotic Outsiders. In de jaren negentig deed hij mee met de reünie van The Sex Pistols, voor de ‘Filthy Lucre Tour’, waarmee hij inderdaad genoeg verdiende om een huis te kopen in Californië. The Sex Pistols speelden nu voor een publiek van 10.000 man – wat nooit eerder gebeurd was – en ze speelden goed, dankzij Glen Matlock die weer de plaats van de in 1979 aan een overdosis overleden Sid Vicious innam. Maar de onmin met Johnny Rotten laaide weer op: ‘We gingen uit elkaar met net zoveel haat als de eerste keer’. Tegenwoordig is Steve Jones een populaire radio-dj, hij mijdt drank, drugs en vrouwen, doet aan transcendente meditatie en woont samen met zijn hond.

Dat deze memoires zijn geschreven met hulp van auteur Ben Thompson, is duidelijk, al was het maar omdat Jones naar eigen zeggen tot tien jaar geleden niet kon lezen en schrijven. Thompson destilleerde veelzeggende details uit het leven van deze Dickensiaanse punk-zwerver, en zijn galgenhumor doet het verhaal goed.

Iggy Pop

Hoe nuttig een inventieve ‘ghostwriter’ kan zijn, blijkt uit Total Chaos. The Story of The Stooges, as told by Iggy Pop. Auteur Jeff Gold heeft zijn interview met Iggy Pop woordelijk genoteerd, zo lijkt het. The Stooges (1968-1971) speelden rock ’n’ roll in oer-uitvoering, in opwindende nummers als ‘T.V. Eye’ of ‘No Fun’. Hun muziek en de provocerende presentatie van Pop, die het stagediven uitvond, zouden de blauwdruk worden voor punk. De groep, die tussen 2003 en 2016 een reünie hield, staat nu weer in de belangstelling, dankzij de documentaire Gimme Danger (2016) van regisseur Jim Jarmusch.

Total Chaos is vooral een fotoboek. Jeff Gold verzamelde recensies, posters en foto’s van de jonge Pop en collega’s. In het interview reageert Pop op de foto’s en haalt herinneringen op. Maar Golds vragen zijn te gedetailleerd en daardoor uitsluitend geschikt voor de harde kern van de Stooges-fanclub. Slechts een enkel verhaal, zoals over het optreden voor motorfanaten, waarbij de in tutu gestoken Pop bekogeld wordt met eieren maar koelbloedig door blijft zingen, is de moeite waard.

Gimme Danger is op 15/3 te zien in Paradiso, Amsterdam en op 16/3 en 18/3 in een aantal Pathé-theaters.
    • Hester Carvalho