Recensie

Knipper met je ogen en je bent zestig

Yasmina Reza

Het vrolijke feestje is voorbij. De bel gaat en de bovenbuurman meldt dat hij net zijn vrouw heeft vermoord. Tijd voor Reza om in soms fantastische dialogen flink wat mythes door te prikken.

Vrouw op een dak in New York, 1983 Foto Thomas Hoepker/Magnum Photos/HH

‘By the rivers of Babylon, there we sat down’ – tien tegen één dat u meteen aan Boney M denkt en hun hit uit 1978. ‘Yeah we wept, when we remembered Zion’. Om die zin draait de vertaalde roman Babylon van de Franse (toneel)schrijfster Yasmina Reza. Er wordt gehuild om wat niet meer is, al zijn de oevers vervangen door een banlieue, en het uitverkoren volk door zestigers in een flatgebouw. Bannelingen zijn het, verdreven uit het beloofde land van een veilig huwelijk, liefdevolle kinderen en een eeuwig durende jeugd. Daarmee houdt de vergelijking met het lied op; de hilarische, geestige en scherpe roman van Reza (1959), vorig jaar bekroond met de Prix Renaudot, heeft weinig bijbels.

De vertelster, Elisabeth, 62 en octrooirechercheur bij het Institut Pasteur, geeft thuis een ‘voorjaarsfeestje’– iets wat ze normaal nooit doet. Ze nodigt een paar collega’s en vrienden uit, collega’s van haar man, haar zus en de bovenburen. Het wordt een vrolijke boel. Als de laatste gasten zijn vertrokken en ze net hebben besloten dat ze de volgende dag wel zullen opruimen, gaat de deurbel; het is de bovenbuurman die komt vertellen dat hij zojuist zijn vrouw heeft vermoord.

Met die bovenbuurman kon Elisabeth het wel vinden, hij werkt in een winkel voor huishoudelijke artikelen, had haar wel eens meegenomen naar de paardenraces, waar hij ineens iemand anders werd, een enthousiaste, zelfverzekerde man. Ze heeft een zwak voor hem, en als haar echtgenoot domweg de politie wil bellen en naar bed gaat, laat ze zich door hem meeslepen in een absurdistisch avontuur, dat Reza uiterst smakelijk opdist.

Vanaf het moment dat de deurbel gaat, en de tragedie zich aandient, vallen de maskers. Met haar enorme talent prikt Reza de zorgvuldig opgehouden mythes door, kijkt ze als een detective achter de krulspelden en de leren motorrijders jassen. Elisabeth herinnert zich de eerste keer dat ze haar bovenburen samen zag, arm in arm, zij ‘op haar paasbest, opgedoft en kaarsrecht, trots op zichzelf, het leven, haar pokdalige mannetje.’ En nu ligt ze daar dood naast het echtelijk bed en bindt Elisabeth een sjaal om haar kin, zodat haar mond niet zo open hangt. Waarom? Omdat ze de kat van haar man een schop gaf?

Zin voor zin, in fantastische dialogen, gedachte voor gedachte, tekent Reza voor ons uit hoe een ruzie ontspoort, hoe de een een vrolijk verhaal vertelt ten koste van de ander, hoe impliciete vernedering en gebrek aan inlevingsvermogen onderhuids voortwoekeren totdat frustratie zich met een explosie uit. En passant krijgen we een beeld van de vertelster. Ze verloor kort daarvoor haar moeder, met wie ze niet echt een goede band had. Wat blijft er weinig over van een mensenleven: een paar gehaakte kleedjes waar niemand meer belangstelling voor heeft. Maakt het iemand eigenlijk wat uit of je gelukkig bent geweest?

Ze denkt terug aan het meisje dat ze ooit was, vol leven, op hoge hakken – je knippert met je ogen en je bent zestig. De mistroostigheid slaat toe, ‘niet het grote verraad is wat weemoedig stemt, maar dat er steeds weer iets verloren gaat, hoe onbeduidend ook.’ Ze bladert door de foto’s die haar moeder bewaard heeft, komt beelden tegen van haar zoon als kind. Op Elisabeths nachtkastje ligt The Americans, het fameuze fotoboek van Robert Frank, die de eenzaamheid van de Amerikaan vastlegde. Reza opent haar boek met de beschrijving van een van zijn foto’s uit 1955, een Jehova Getuige, ‘mager, met smalle schouders’, die in zijn nette pak religieuze blaadjes probeert te slijten, in zijn broek ‘met sleetse knieën’, met zijn schooltas, ‘alleen, vervuld van een droefgeestige en kribbige vasthoudendheid’. ‘Wat maakt het uit wat je bent, wat je denkt, wat je gaat worden? Je bent ergens in beeld tot de dag dat je er niet meer bent.’ Eigenlijk, suggereert Reza met melancholieke meesterhand, zitten we allemaal aan die fameuze rivier van Babylon.

    • Margot Dijkgraaf