Opinie

    • Japke-d. Bouma

Ik weet wie de mol is

Japke-d. Bouma

schrijft elke vrijdag over de taal van deze week. Vandaag: mollen

De mol ging eeuwen onverstoorbaar zijn gangetje, tot iemand in de wereldgeschiedenis bedacht dat hij als metafoor kon dienen voor nare mensen. Voor intriganten die zich ‘ingraven’ in organisaties bijvoorbeeld en dan in het geniep cruciale informatie doorspelen aan de concurrent; voor lieden die ministers verleiden en hun dan tussen de lakens belangrijke geheimen ontfutselen. En voor spionnen die via zenders in hun schoenzolen staatsgeheimen aan de Russen doorspelen.

Ook zaterdag wordt de mol weer flink gedemoniseerd als bekend wordt wie er al die weken ‘de mol’ is geweest in tv-programma Wie is de Mol. Als bekend wordt wie al die tijd heeft lopen faken een ‘supersociale teamplayer’ te zijn maar ondertussen al het geld uit de pot zat te houden.

De mol is weerloos

Ik weet wie de mol is. Hij wordt al sinds 1601 in allerlei geschriften in een kwaad daglicht geplaatst, zo las ik op de site van het Genootschap Onze Taal, maar het ging pas écht los na 1974, toen thrillerschrijver John le Carré in zijn romans doortrapte, infiltrerende ‘mollen’ begon op te voeren. Sindsdien is de mol weerloos. De tragiek kleeft hem aan.

Want hij wordt niet alleen als intrigant weggezet, hij is ook de benaming voor een eenheid in de scheikunde die altijd heel onhandig is toe te passen met zo’n grote veiligheidsbril op, er wordt in kinderboeken voortdurend op zijn kop gepoept en hij moet altijd alle muzieknoten een half toontje lager zingen. John de Mol, toch één van de succesvolste mollen ter wereld, heeft het Latijnse woord voor ‘mol’ gekozen als bedrijfsnaam omdat hij anders uitgelachen wordt, godbetert.

Ik vind het allemaal enorm onterecht voor de mol. Hij verdient een beter imago. Want wat is er nou onschuldiger dan een zacht, fluwelen molletje? Ze doen geen vlieg kwaad, of althans, dat juist wel, want ze eten insecten, maar je snapt wat ik bedoel.

Wroeten in de aarde

De mol dankt zijn naam aan het woord malen (wroeten, graven). Hij heette ooit ‘molwerper’: een diertje dat grote hopen aarde om zich heen werpt. En dan heb je ook meteen zijn belangrijkste taak te pakken: hij wroet in de aarde. Dus niks infiltreren, maar gewoon een goede bijdrage aan de samenleving leveren. Als er iemand de onderste steen boven krijgt is het de mol. Hij houdt ook de grond in beweging en haalt pieren en wurmen voor de vogels naar boven en er zijn dus hele succesvolle mollen. Ik noemde net al een John, maar denk ook eens aan Linda, een Albert en een Momfer.

Wat ik ook sympathiek vind aan mollen is dat ze mensen nerveus maken die hun gazonnetje graag strak houden. Ik kan er erg van genieten als ik een heel groot glad gazon zie met een paar molshopen erop. En hoezo is de mol stiekem? Hij heeft geen idee waar hij heengaat, joh, hij is zo blind als een mol. Het is juist zo’n beessie dat áls hij al de mol zou zijn, zélf zou zeggen dat hij de mol is. En echt subtiel is hij ook niet hoor, met zijn grote molshopen en enorme klauwen. Ik zou hem wat dat betreft nog eerder een olifant in een porseleinkast noemen dan een mol.

Ik zou dan ook zeggen: we stoppen met al dat gehak op de mol en bewijzen hem de eer die hij verdient.

En infiltranten? Die noemen we vanaf nu ‘Sanne’, ‘Thomas’, ‘Jochem’ of ‘Margriet’.

Taaltips? Dat kan op Twitter via @Japked

    • Japke-d. Bouma