Recensie

‘Ik voel geluk als ik door de vrieskou barakwaarts ga’

Dachau-herdenking De gevangenisbrieven van Ed. Hoornik geven een beeld van het dagelijks leven van een verzetsstrijder in Duitse gevangenschap. Ter gelegenheid van de Dachau-herdenking worden ze tentoongesteld.

De dichter Ed. Hoornik (1910-1970) zat in de oorlog in het verzet. Op 18 augustus 1943 werd hij door de Duitsers gevangen genomen om uiteindelijk in concentratiekamp Dachau te belanden, waar hij in 1945 werd bevrijd. Ter gelegenheid van de Dachau-herdenking hebben zijn dochters zijn brieven uit die tijd geopenbaard: veertien uit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, dertig uit concentratiekamp Vught, gericht aan zijn vrouw Liesl Nussbaum en schrijfster Wilhelmina (‘Wim’) Hora Adema, en twee uit Dachau, gericht aan Frau Johanna Nussbaum, de moeder van Liesl.

Uit de eerste brief uit de gevangenis, gericht aan Wim Hora Adema

‘Er waren die avond, na een fuifje met Bert Bakker in de stad (ter gelegenheid van de verschijning van Hoorniks poëziebundel Tweespalt, red.), de volgende mensen in mijn woning: Popke Bakker, Bert Bakker, Mientje, Gerard de Brabander, mijn vrouw, Miesje (een meisje dat bij Bets van Loonhuysen woont) en ik. Tegen elf uur kwam een zekere Katan die ik niet kende, en die Mientje moest spreken, en daarom maar bleef. Wij bleven enige uren gezellig bijeen en gingen toen slapen. Om halfzes stond de SD voor de deur. Bert Bakker en die Katan werden gebonden, de anderen geboeid weggevoerd naar de Euterpestraat waar we tot ’s avonds halfzes in aparte cellen bleven. Toen werden mijn vrouw, Mientje en Miesje, naar de Amstelveenseweg gebracht. De anderen vervolgens naar de Weteringschans. (…) Ik hoor verder dat die Katan van de meest ernstige feiten wordt verdacht en terwijl wij verder niets met hem te maken hebben, alleen Mientje misschien – ik weet dat niet! – staat onze en vooral mijn zaak er weinig gunstig voor omdat de man in mijn woning is gevonden. Je weet dat de kinderen door de SD ergens zijn heengebracht. Kun je informeren waarheen?’

Uit een brief aan Liesl Nussbaum van 26 februari 1944 uit concentratiekamp Vught

‘Hoe vind je Tweespalt? Ik hoop later sterkere gedichten te schrijven, in ieder geval anders georiënteerde als deze zwaarmoedige naar het sentimentele zwemende belijdenislyriek der openingsverzen. Het is mij nog altijd niet gelukt tot rust te komen, dit bestaan te aanvaarden, erboven uit te komen, en geduld te oefenen, al beleef ik soms een enkel geluksmoment als ik ’s avonds door de vrieskou alleen barakwaarts ga, het prikkeldraad en posten vergeet in het beschouwen van de hemel. De gedachte dat er misschien nog vele seizoenen voorbij zullen gaan, voor ik weer vrij kan ademhalen, obsedeert me vaak, maar erger zijn mijn vrezen om wat jullie en mij bij een invasie te wachten staat. Ook het dreigend gevaar van iedere dag: bunker, strafcompagnie en een zwaar buitencommando weet ik nog niet met een mannelijk fatalisme te verwerken: aan de andere kant kan ik ook niet nalaten risico’s te lopen en het leven van mezelf en anderen te veraangenamen. Ook hier dus een tweespalt, een spanning, die jouw en Wims brieven noch de activiteit van De P. geheel kunnen wegnemen, en die mij ook van de poëzie afhoudt, al voel ik de muze soms naderen en voorbijgaan. Natuurlijk hoop ik op een gunstig resultaat van jullie pogen, maar bij de steeds strenger wordende maatregelen, waarvan ik dagelijks via het Hbl kennis neem, kan ik er nauwelijks in geloven, temeer omdat immers het woordje Kriegsdauer mijn akten siert. De plannen, waarover ik in een briefje aan Wim schreef, heb ik voorlopig laten varen, hoewel meer dan één mij op dit gebied is voorgegaan en slaagde. ’s Avonds praat ik veel met Telders en Nico Rost, mijn tafelman, en ook met de beeldhouwers Van Hall en Van Zweden, die hier een eigen atelier hebben en welke laatste de tekening waarover ik schreef, nog niet heeft voltooid.’

In mei 1945, net na de bevrijding van Dachau op 29 april, gaven Hoornik, Rost en de Belg Marc van Hasselt in Dachau het gestencilde blad De Stem der Lage Landen – orgaan der Nederlanders in Dachau uit. Daarover zei hij later:

‘Dat moment, dat je weer papier in je poten had! We stonden op „heilige grond”, het SS-Lager waar nog nooit iemand van ons had mogen komen, al lag het tweehonderd meter van onze barak af. Wie er naar binnen moest, kwam nooit meer terug. Die vond je later opgehangen of doodgeschoten. En daar sta je opeens te graaien in stapels papier van de SS; makkers dragen een stencilmachine op hun schouders weg, schrijfmachines, drukinkt.’

Na de bevrijding duurde het nog enkele weken tot Hoornik met zijn gezin herenigd was. Dochter Erica: „Ik weet nog heel goed hoe er bij ons in de Stadionstraat werd aangebeld en ik opendeed. Er stond een man in een camouflagepak voor de deur die ik niet herkende. Ik riep mijn moeder en uit de commotie die toen ontstond begreep ik dat die vreemde man mijn vader was.”

De fragmenten op deze pagina komen uit een tekst die Erica Stigter, dochter van Ed. Hoornik, op 9 maart uitsprak in het Literatuurmuseum in Den Haag, ter gelegenheid van de Dachaulezing door UNESCO-ambassadeur Lionel Veer. In het museum is momenteel ook een kleine tentoonstelling, waar deze brieven te zien zijn. De Dachaulezing en een uitgebreide versie van de brieven van Ed. Hoornik, voorzien van commentaar is te lezen op nrc.nl/dachaulezing.
    • Michel Krielaars