Recensie

Hoe Nederlandse kunstenaars kerkiconen vertimmeren

Wat zeggen de hergebuikte heiligenbeelden, nu te zien in Het Noordbrabants Museum, over de kerkelijke traditie?

Marijn Morée, Perseverance, 2001.

De brute aanslag op de redactie van Charlie Hebdo in 2015 expliciteerde de verregaande afkeer van sommige gelovigen van ontregelende of ronduit beledigende afbeeldingen van de grondlegger van hun religie. Katholieken in Nederland staan over het algemeen heel wat meer ontspannen tegenover uitingen die je gemakkelijk onder heiligschennis zou kunnen scharen. Dat is de indruk die de tentoonstelling Verspijkerd en verzaagd in Het Noordbrabants Museum wekt. De makers van de geëxposeerde beelden hebben nooit om hun werk voor hun leven hoeven vrezen.

Toch is de omgang van moderne Nederlandse kunstenaars met religieus erfgoed niet zachtzinnig van aard. Met name gipsen en houten beelden van Christus, Maria en heiligen, zoals die in de negentiende eeuw in grote aantallen werden gemaakt, hebben het moeten ontgelden. Met de ontkerkelijking die in de jaren 1960 inzette, belandden dergelijke sculpturen massaal op de (vlooien)markt. De expositie laat mooi zien hoe de beelden en beeldjes voor kunstenaars een dankbaar uitgangspunt vormden voor nieuw werk. De spanning zit in de vraag in hoeverre zulke beelden in een andere vorm, kleur of context nog een relatie vertonen met de religieuze oorsprong.

Jacques Frenken, Franciscus van Assisi, 1966. Hout, verf, opgezette vogeltjes, gips, 148 x 40 x 34 cm.

Foto Het Noordbrabants Museum
Jacques Frenken. Spijkermadonna, 1968. hout, ijzer, gips, 102,5 x 49 x 22 cm

Foto Peter Cox/ Het Noordbrabants museum
Jacques Frenken, Drostemadonna / Blauwe Madonna, 1965. Hout, verf, gips, 151 x 75 x 39 cm.

Foto Het Noordbrabants Museum

Een kleine installatie die Rudolf Holleman in 1994 maakte, bijvoorbeeld, bestaat uit een miniatuur draaiorgel waarin gipsen kerststalfiguurtjes zijn opgenomen. De elektrische voeding staat garant voor carrouselmuziek en de beweging van een dekentje op een bed precies onder de kribbe. Op een vermakelijke manier wordt gesuggereerd dat de maagdelijke conceptie waarvan de Bijbel vertelt, een korrel zout behoeft. Maar de titel van het werk, Onbevlekte ontvangenis, duidt op iets anders, namelijk het denkbeeld dat Maria vrij was van de erfzonde toen ze Christus concipieerde. Het gebrek aan theologische precisie is misschien opzet. Maar ook zou het kunnen duiden op een vrije, vrolijke wijze waarop in de jaren 1990 het religieus erfgoed werd verwerkt.

Halve eeuw secularisering

Anders ligt het bij de Bossche kunstenaar Jacques Frenken, wiens werk, dat in de jaren 1960 aanmerkelijk schokkender zal zijn overgekomen dan tegenwoordig, een derde van de expositie uitmaakt. De vrome oud-seminarist die naar eigen zeggen het Kerklatijn beter beheerste dan de pastoor, was een van de eersten die gipsen heiligenbeelden opkocht en verwerkte. In zijn werk weerspiegelt zich een worsteling met de traditie van het katholieke geloof waar hij uiteindelijk vanaf viel. Een prachtig voorbeeld is Litanie van het Heilig Hart (1966) waarin dertig symmetrisch opgestelde, repeterende halve varianten van het Heilig-Hartbeeld in het midden, het zichzelf steeds herhalende gebed materialiseren. Madonna’s en Christusfiguren die Frenken betimmerde met talloze spijkers doen denken aan Afrikaanse fetisjbeelden, maar sluiten ook naadloos aan bij de eeuwenoude devotie voor het lijden van de Mensenzoon en zijn moeder.

Frenkens werk weerspiegelt de secularisering van het Nederland van een halve eeuw geleden. Maar ook werkt er een gelovige traditie in door die steeds minder gemeengoed is geworden. Veelzeggend is de titel die Henk Visch in 1986 gaf aan een uitbeelding van een crucifix dat tussen twee wagenwielen dreigt te worden vermalen: How beautiful this must appear to him who understands it.