Hoe de campagne uitliep op kleinbedrog en groot geheugenverlies

Deze week: de grote vergeettruc in de campagne van 2017.

Ofwel: nepthema’s, bijna-politiek en de strijd Rutte-Buma.

Als je de lijsttrekkers de laatste weken samen op zo’n debatvloer zag, of je hoorde ze later praten over elkaar, dan was vooral opmerkelijk hoe goed de onderlinge band bleef.

Je moet zelf lijsttrekker zijn, zei er één, om te begrijpen wat een lijsttrekker doorstaat.

Ze stuurden elkaar opbeurende appjes na een mislukt debatmomentje of een tegenvallende peiling. Na harde confrontaties op de debatvloer maakten ze grappen in de coulissen.

Het bijzondere was: bijna al deze lijsttrekkers stonden ooit zelf aan de rand van de afgrond. Rutte (2006), Wilders (2004), Pechtold (2006), Roemer (2012), Buma (2012) – ze wisten allemaal wat Asscher moest voelen nu hij, met zijn partij, een verpletterende nederlaag tegemoet leek te gaan.

De boeiendste relatie was die tussen Rutte en Buma, electorale concurrenten met een moeizame band tijdens Rutte II. Buma kon premier worden als Rutte totaal onderuit zou gaan – en Buma werkte daar hard aan.

Rutte wist dat natuurlijk, en verweerde zich met steekjes onder water.

In het Jeugdjournaaldebat van afgelopen dinsdag (het wordt zaterdag uitgezonden) deed Rutte het zo:

„Zeg Sybrand, wat wilde jij vroeger eigenlijk worden?”

„Architect”, zei Buma.

„O. Ik zag laatst in een CDA-filmpje dat je premier wilde worden.”

De campagne van het grote vergeten

Het was de campagne van het grote vergeten. De burger, en een groot deel van de oppositie, wilde niet meer horen hoe ongemakkelijk het er in 2012 voorstond, toen recessie en malaise het land domineerden.

De VVD/PvdA-coalitie, en een klein deel van de oppositie, wilde niet meer horen hoe het er in 2002 voorstond, toen Fortuyn een Hollandse revolutie tegen het vooruitgangsgeloof van Paars ontketende.

En dus was het ook voor de lijsttrekkers aanvankelijk zoeken naar het juiste referentiekader voor dit verkiezingsjaar – 2012, of 2002?

De diepe val van de PvdA en de ongeliefdheid van de coalitie deden sterk aan de Paarshaat van 2002 denken. Afrekenen met de machthebbers.

De leiderschapscrisis in de PvdA ook: destijds werd partijleider Kok iets te gretig gestimuleerd plaats te maken voor de latere mislukking Melkert; en na de verkiezingen komen ongetwijfeld de verhalen los over hoe in de PvdA-top al vorig jaar zomer werd gesproken over afzetting van Samsom.

De rol van Buma is in deze context ook niet te missen: terwijl PvdA en VVD destijds Fortuyn bestreden, werd Buma’s partijgenoot Balkenende premier door buiten dat gevecht te blijven.

Toch bleef ook 2012 een zinnig referentiepunt. Het land had vijf kabinetten in tien jaar achter de rug. Economen voorzagen dat het lastig zou worden een groei van meer dan één procent te halen.

De staatsfinanciën stonden er na de val van Rutte I zo zwak voor dat het land alleen met paardenmiddelen (hogere btw) en hervormingen (hogere AOW-leeftijd, hoger eigen risico) een boete van de Europese Commissie ontliep.

Als je dat naast de fraaie groei en het begrotingsoverschot van 2017 legde, leek het niet logisch de toestand van 2012 uit het nationale geheugen te wissen.

Maar intussen hadden we ook IS, de vluchtelingencrisis, Brexit en Trump. Het belang van al die vooruitgang vervaagde bij het beeld van de verontruste of boze burger: de burger die geen vastigheid meer vindt in een wereld met weinig grenzen.

Wilders sprak al langer voor deze groep, net als eerder Fortuyn, en zo besloten veel media, eerder dan politici, 2012 gewoon te vergeten: de prestaties van Rutte II gingen ongezien het archief in.

Ook bleek het land collectief alle omstreden woorden van Wilders in de laatste jaren te willen vergeten – nepparlement, revolte, minder Marokkanen, dan gaan we dat regelen. Alsmede zijn veroordeling wegens aanzetten tot discriminatie, eind vorig jaar.

Zelfs zijn steun aan Trump, ruim voordat Trump speelbal van zijn eigen impulsen werd, vervaagde als thema nu media voorrang gaven aan de opvattingen van hoogopgeleide, jonge, feministische, Surinaamse of kwark consumerende PVV-kiezers.

Intussen kon Rutte geen tv-studio betreden of hij trof er een boze presentator dan wel boze burgers aan. Asscher probeerde zich als kandidaat-premier op te werpen in een mediaklimaat dat premiers verfoeide en burgers verheerlijkte.

Je had genoeg media die zo angstig waren de boze burgers te missen, net als in 2002, dat Paarshaat het uitgangspunt van hun werk werd.

Campagne zonder kortetermijngeheugen

Het creëerde een campagne zonder kortetermijngeheugen én, zorgelijker, een campagne met amper kortetermijnbetekenis.

Al die zelfexpressie van boze burgers droeg immers ook een gevaarlijk soort bedrog in zich. Op zich is die zelfexpressie interessant en inzichtelijk. Maar zelfexpressie is geen beleid. Zelfexpressie is geen oplossing.

Tegelijk duwden die boze burgers de ‘harde’ campagnethema’s bijna allemaal van de agenda. In de televisiedebatten was amper aandacht voor de economie, de vluchtelingendeal met Turkije of defensie. Het klimaat haalde vaak niet eens de aftiteling.

In plaats daarvan volgden noodverbandjes tussen politiek en volkssentiment, vervat in formatjes als tweestrijd, boosheid en identiteit. Metavraagstukken waarvoor zelden beleid bestaat: bijna-politiek.

De VVD bedacht naar bekend al vroeg een tweestrijd met Wilders, die er zich vervolgens aan onttrok: hij begon erdoor weg te zakken in de peilingen, en de premier zakte langzaam met hem mee.

Lees de NRC Programmawijzer, een overzicht van de verkiezings­programma’s. Met een handig filter lees je alleen over de partijen en onderwerpen die je het meest interesseren.

De rest van het veld – CDA, D66, GroenLinks – sloop dichterbij. Er ontstond een roedel middenpartijen: de VVD ging op kop maar PVV, CDA, D66 en misschien zelfs GroenLinks konden nog de grootste worden.

Intussen bleef de enige tweestrijd die zich wel voltrok, die tussen de politiek en boze burger, ook ernstig oppervlakkig. Nooit paste de geuite boosheid in een heldere politieke richting.

Mensen spraken van minder vluchtelingen, goedkopere zorg, hoger loon, lagere huren, de AOW naar 65, meer pensioen – wensen die je overal kon horen.

Maar je kwam er zelden achter wat partijen die de boosheid serieus zeiden te nemen, aan die boosheid zouden doen. Wilders had één a4tje. De SP sprak over zorg en neoliberalisme; Klaver over economisme; Buma over normen, waarden en het Wilhelmus.

Zelfs wanneer je alle boosheid kende, bleven de politieke reacties volkomen vaag: mist, nevel en laaghangende bewolking.

Dan hadden we ook ‘identiteit’, of ‘nationale identiteit’. Nog zo’n meta-thema dat kiezers beroert maar dat je na de verkiezingen, bij het regeren, niet makkelijk kunt omzetten in beleid van betekenis.

Integratiebeleid, streven naar minder vluchtelingen, inburgeringscontracten, taalles voor nieuwkomers – het is er allemaal al.

Dan resteren nog conflicten over religieuze waarden en straatgedrag. Ik geloof graag dat dit maatschappelijke onderwerpen zijn – maar Den Haag kan dergelijke conflicten natuurlijk amper in de greep kan krijgen.

Dus wie de drie grote metathema’s van de laatste campagneweken – tweestrijd, boosheid, identiteit – op hun politieke gevolgen beoordeelde, kwam niet erg ver. Gesprekstherapie voor de boze kiezer. Consequentieloos gebabbel naar het voorbeeld van reality-tv.

Een campagne van nergens naar niks.

Nu kun je ook zeggen dat vergeten een elementair aspect van onze politieke cultuur is: verkiezingen zijn ook een alibi om aan een nieuwe regering te beginnen. En coalities werken alleen wanneer politici in staat zijn eerdere vijanden als nieuwe vriend te aanvaarden.

Voor Buma en Rutte geldt dit natuurlijk ook. Buma profiteerde de laatste weken van de campagnelogica die stijgende peilingen beloont: media zagen hem als ontspannen en geslaagd; een man met humor.

Vergeten was het imago van een stroeve oppositiepoliticus die de laatste jaren, anders dan andere partijleiders, nooit bereid was met Rutte te gaan eten in zo’n Haags tokootje waar ze bier uit flessen drinken. En altijd neen zei wanneer het kabinet binnenskamers wilde onderhandelen.

Evengoed had Rutte deze campagne zichtbaar moeite met zijn nieuwe rol, die nadruk legde op zijn aanzien als premier en zijn vaardigheden als bestuurder – en hem weerhield van zijn natuurlijke behoefte: iedereen voortdurend vooruitgang beloven.

Mede door dat ongemak lag, tegen het einde van de campagne, het veld zo open dat Buma – dan wel Pechtold – Rutte nog steeds van zijn premierstroon kon stoten.

Mentale flexibiliteit

Je wist niet of Buma ooit de mentale flexibiliteit zal hebben die Rutte al zolang in staat stelt uit dat gefragmenteerde Haagse veld telkens nieuwe coalities te smeden. En de vraag die je ook kon hebben was of hij, met zijn formele oppositiehouding de laatste jaren, wel het krediet heeft om straks, als eventueel premier, zelf partijen in de binnenkamer bij elkaar te brengen.

Ik kreeg wel de indruk. In het circuit van de lijsttrekkers ving ik op dat Buma erg actief was om collega’s al append en sms’end moed na een tegenslag toe te wensen.

Zo resteerden, aan het einde van deze babbelcampagne, twee inzichten die tot ver na komende woensdag overeind blijven.

De eerste is de meest vergaande: presteren in de politiek – de economie op orde brengen, het vluchtelingenprobleem oplossen – is blijkbaar van minimale electorale waarde geworden.

Aangezien we nu al weten dat een volgend kabinet zal bestaan uit een vier- of vijfpartijencoalitie, wordt de verleiding wel erg groot om achterover te leunen.

Geen risico’s. De boze burger niet tegen het hoofd stoten. Ambitieloosheid als het nieuwe presteren.

Tegelijk kijkt woensdag de hele wereld met Nederland mee. Symbolisch stemmen is uit, ik weet het, maar er staat vrij veel symboliek op het spel.

Wordt Wilders de grootste en blijft het verhaal van een populistische revolte in leven, of is Nederland het land dat een eerste nederlaag aan het Brexit- en Trumpgevoel toebrengt?

Laat ik het zo zeggen: we vergeten allemaal wel eens wat, maar na deze diepdroevige campagne lijkt het me lastig deze keuze uit het hoofd te bannen.

    • Tom-Jan Meeus