Column

Het Nederlandse volk bestaat wel en het spreekt op 15 maart

De democratische politicus houdt het midden tussen populisme en technocratie. Column van over de verkiezingen.

Toen ik midden jaren nul een tijdje op het Binnenhof werkte, zei ik op mijn eerste werkdag tegen een gevestigd Tweede Kamerlid: „Dat moet bijzonder zijn, het volk te vertegenwoordigen.” Vragende blik. Ik dapper voort: „Je bent toch volks-vertegenwoordiger.” Haar antwoord: „Goh, zo had ik het nog nooit bekeken.” Een anekdotisch incident, maar toch openbaarde zich hier een zwakte. Als het onze volksvertegenwoordigers zomaar kan ontschieten ons te representeren, als ze hun symbolische rol vergeten – omdat Kamerlid ook maar „een baantje” is – dan blijft Nederland kwetsbaar voor radicale politieke makelaars die wel namens ‘het volk’ weten te spreken, zoals de onzichtbare volksmenner uit Venlo. Maar welk volk? Het begrip is meerduidig in veel talen. Er is het etnische volk dat zich als natie op een afstamming beroept, tegen vreemdelingen; er is het arme volk of plebs, tegenover de rijken; en het domme volk, geminacht om zijn onkunde en gevreesd als massa. Allemaal ongrijpbaar en sprakeloos. Populistische leiders geven het een stem, met een zwaartepunt op het ene of andere aspect. Dat heeft nut, totdat ze de pluraliteit van het volk ontkennen.

Het weerwoord is niet slapjes te zeggen dat ‘het volk’ niet bestaat. Dat overtuigt niemand. Het weerwoord begint met het hooghouden van het enige volk dat tastbaar is en zélf spreekt: het kiesvolk. Het Nederlandse volk, dat zijn de verzamelde kiesgerechtigden, het electoraat. Dit volk spreekt zelden, maar als we dat doen, zoals op 15 maart, is het raak. Dan dragen we onze volkssoevereiniteit deels over op verkozenen, en funderen zo de macht. Vergeleken bij het keiharde politieke feit van de stembusuitslag verbleken peilingen en kiezersonderzoeken tot schimmen. Wilders’ ondemocratische extremisme verraadt zich in zijn minachting voor dit plurale kiesvolk (ook zijn ledenloze PVV regeert hij als dictator); hij zet in op een etnisch nepvolk. Dus tegen de één op vijf kiezers die hij verleidt, moeten de andere vier op vijf zeggen: wij zijn ook het volk! In de spoedig te verschijnen bundel Wat is een volk? schrijft filosofe Judith Butler: „We kunnen ons het schouwspel van een openbare vergadering voorstellen waar iedereen met één stem spreekt, maar het zou tegelijk een abstract en angstaanjagend tafereel zijn – het doet denken aan een soort Gleichschaltung die oproept tot een fascistische mars of een militair lied. ‘Wij het volk’ veronderstelt noch creëert een eenheid, maar brengt een reeks debatten op gang over wie het volk zijn en wat zij willen.”

De democratische politicus

Hoe willen wij worden vertegenwoordigd? Bij zijn aantreden als burgemeester van Den Haag in 2007 noemde Jozias van Aartsen goede politici „veerlui tussen burger en algemeen belang”. Zij varen de belangen, eisen, verlangens en emoties van het volk naar de overheid, maar varen ook terug, met afwegingen van algemeen belang, lange termijn, bescherming van het kwetsbare – „heen en weer”. Gemakzuchtige politici, aldus de oud-burgemeester, wagen zich het water niet op. Regenten en technocraten willen alles liefst stilletjes regelen op de ene oever, terwijl populisten blijven schreeuwen op de andere oever. De derde soort politicus daarentegen, „de democraat”, overbrugt, bemiddelt, verbindt straat en staat. Van Aartsen: „Waar de regent zucht over het domme volk en de populist het populaire ongenoegen nog opstookt, daar gaat de democraat aan het werk. Soms moet je luisteren, soms moet je leiden.” Die opdracht staat nog steeds. In de Nederlandse en Europese gebeurtenissenstroom die ons de komende vier jaar te wachten staat, wens ik ons, als soeverein en pluraal kiesvolk, veel democraten als vertegenwoordigers.