Het gaat ook om wat je zegt

Fictie en werkelijkheid: ze zijn steeds meer op elkaar aangewezen. Schrijvers voelen steeds meer de urgentie van die werkelijkheid. Nu de recensenten en boekenbijlagen nog.

Illustratie Anne van Wieren

‘Trump should know OBAMA NEVER LEFT THE WHITE HOUSE! He’s in the closet! HE HAS SCISSORS!’ twitterde de Amerikaanse auteur Stephen King afgelopen week. Hoe de werkelijkheid van het Witte Huis steeds meer gedicteerd wordt door fictie en paranoia, wordt door de spottende tweet van King voortreffelijk samengevat. Alternatieve feiten: zijn die niet de bouwstenen waarmee de literaire auteur een fictief, alternatief universum opbouwt? Wie de literatuur van de afgelopen maanden overziet, merkt dat fictieschrijvers juist steeds meer afstand nemen van de alternatieve feiten, en steeds vaker reële elementen in hun werk stoppen.

Fictie en werkelijkheid: ze lijken op elkaar aangewezen. Welke romans we moeten lezen om Trump te begrijpen: die vraag is al meerdere malen over het voetlicht gekomen. Niet voor niets zijn de boeken die criminelen moeten lezen van een rechter, ook meestal de vertellingen die duidelijk geworteld zijn in de werkelijkheid. Zo veroordeelde begin dit jaar een Amerikaanse rechter enkele jongeren die racistische leuzen op een muur had geklad tot het lezen van slavernij-romans. Elke week moesten ze terugkomen om over een van de werken te praten.

Het is een goed idee: van literatuur wordt al jaren gezegd dat ze empathie-verhogend is. Dat is vast ook een reden waarom uitgerekend romanschrijvers zich nu steeds meer gaan bemoeien met de werkelijkheid. Howard Jacobson en Salman Rushdie kondigden aan met romans over Trump te komen. Ali Smith schreef al een Brexit-roman, H.M. van den Brink kwam vorige week met een sprookje over Wilders. In het eergisteren verschenen Als dit zo doorgaat, onder redactie van Auke Hulst, buigen 23 schrijvers zich over de vraag wat voor wereld we met z’n allen aan het maken zijn wanneer Trumpisme normaal wordt en Europa kraakt onder verrechtsing en populisme.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van auteurs die zich zorgen maken over recente ontwikkelingen en fenomenen. Ze tonen aan dat het idee dat schrijvers zich weinig van de werkelijkheid aantrekken, een achterhaalde veronderstelling is. Natuurlijk zijn er ook auteurs die zich steeds verder terugtrekken in een wereld van taal en onthechte verbeelding, maar ook daarin toont de literatuur zich een afspiegeling van de maatschappij – al lijkt die fictievorm steeds moeizamer lezers te vinden.

Leidend is de vraag wat je als schrijver wilt: wil je vat krijgen op de werkelijkheid, of zelfs een duit in het zakje doen in de besluitvorming over hoe we met de werkelijkheid omgaan? Als je als schrijver niet machteloos wilt toekijken wat er gebeurt, welke stijlmiddelen kun je dan het best gebruiken? Is het logisch om nog van het idee less is more uit te gaan, of wil je de lezer juist met de neus op de feiten drukken door deze zo expliciet mogelijk beelden op te dringen in de hoop dat ze beklijven? Zal een schrijver die een stempel wil drukken op maatschappelijke ontwikkelingen zich kortom steeds meer moeten richten op onderwerpen die de verbeelding te boven gaan? Hoe gaat een criticus om met deze ontwikkelingen? En ook: hoe gaat een boekenbijlage om met deze ontwikkelingen? Moet je vasthouden aan de ‘vorm’ of moet je op zoek naar wat de ‘vent’ (m/v) te zeggen heeft?

Is het bijvoorbeeld logisch voor literair recensenten nog steeds de goede smaak te benadrukken, vormkwesties ter sprake te brengen en al te expliciete beschrijvingen af te doen als not done? Of moeten literaire kritieken, in een poging urgent te blijven, meer oog hebben voor wát de schrijver zegt in plaats te focussen op het hóe? Natuurlijk: een roman staat of valt nog altijd bij dat hoe, maar misschien roept deze tijd wel om kritieken die meer verbanden leggen, om recensies die geworteld zijn in de werkelijkheid en niet denken dat tijdloosheid het voornaamste ideaal is dat een schrijver moet nastreven. Geen hoeders meer van de zogeheten goede smaak, maar ‘literaire factcheckers’.

Zo verscheen vorige week Exit West van de Pakistaanse schrijver Mohsin Hamid (1971). Hij staat bekend als een auteur die lezers confronteert met de harde realiteit en die al eerder in verhalen er niet voor terugdeinsde om een onthoofding tot in detail te beschrijven. In Exit West vertelt hij over Saeed en Nadia, die uit hun niet nader genoemde land moeten vluchten. Het eerste deel van de roman vertelt over het leven in de stad waar de moeder door een bom om het leven komt wanneer ze in haar auto zoekt naar een verloren oorbel.

Ook in deze roman laat hij in detaillering weinig aan de verbeelding over als hij wederom iemand laat onthoofden: ‘Over een paar maanden zou deze man met paardenstaart onthoofd worden. Eerst de achterkant van de nek met een gekarteld mes, voor extra ongemak, en het hoofdloze lichaam bij de enkel opgehangen aan een elektriciteitsmast, waar het heen en weer zwaait, de knieën uit elkaar, totdat de veter die zijn beul heeft gebruikt in plaats van touw wegrotte en uit elkaar viel, zonder dat iemand het had gedurfd hem daarvoor weg te halen.’

In veel westerse romans worden dergelijke beelden geschuwd, want het getuigt van een weinig verfijnde smaak om de lezer dusdanig te confronteren met onsmakelijkheden. We houden nu eenmaal meer van een camera die subtiel weg draait dan een die er op inzoomt. De vraag is alleen: werkt dat nog steeds, of moeten we onze literaire smaak aanpassen? Zijn we wegkijkers als we dat niet doen?

In zijn sterke roman, waarin Nadia en Saeed in Europa komen door domweg een poort door te gaan – waarbij je zelf mag invullen of je in Alice’s Wonderland terecht komt of in de hel – mengt Hamid het wát met het hóe. Exit West gaat om de gruwelen van militanten die een oude wereld wegvagen, over begrafenissen die onmogelijk zijn omdat er geen plek meer is en over drones die boven een stad vliegen.

Exit West gaat ook over de psychologische gevolgen: hoe het is om iedereen achter te laten, te rouwen om een vader duizenden kilometers verderop, de nieuwe stad waarin je niet geaccepteerd wordt zodat je je dan maar vasthoudt aan de vertrouwde wereld, ook al is dat de rafelige buitenrand van Londen. Naast het verhaal portretteert Hamid ook personages die zich op andere plekken bevinden. Het gaat in die korte fragmenten om wat ze meemaken en hoe de situatie er op dat moment bij hen voor staat. De methode accentueert de wereldwijde impact van de gebeurtenissen op één plek.

Je kunt je afvragen of het boek niet overvol is, of de camera niet te vaak inzoomt, of het niet wat afstandelijker had gekund en of het wat geforceerde slothoofdstuk wel zo’n goed idee is, maar wat bij deze roman overheerst is, het gevoel dat iemand hier het vluchtelingenprobleem aangrijpend in kaart brengt, zoals weinigen dat aandurven.

We houden nu eenmaal meer van de camera die subtiel wegdraait dan die er op inzoomt

Heel anders zijn de portretten van de Vietnamese schrijver en Pulitzerprijs-winnaar Viet Thanh Nguyen (1971). In zijn bundel The Refugees schetst hij in acht mooie en subtiele verhalen het leven in twee werelden. Ook hierin worden, net als bij Hamid, fysieke en emotionele pijn aaneen gesmeed. Weliswaar minder dan bij Hamid wordt ook hier vaak weinig aan de verbeelding overgelaten. Zo vertelt een vader aan een zoon wanneer ze in een schuilkelder zitten: ‘Tot de officiële inwoners van het land behoren de bovenste helft van een Koreaanse luitenant, door een mijn gelanceerd in de takken van een rubberboom, een gescalpeerde, zwarte Amerikaan die in een beekje drijft, vlakbij zijn neergestorte helikopter, zijn ogen en de bovenste helft van zijn brein glimmend in het water, en de onthoofde Japanse soldaat die aan zijn armen te zien nog geprobeerd heeft zijn hoofd vast te pakken.’

In westerse romans die over vluchtelingen gaan, wordt vaak het accent gelegd op het anonimiseren. ‘Ik heb hier niet over een mens te beslissen, maar over een dossier’, schreef Nicolaas Matsier in 2005 al in zijn mooie roman Het achtenveertigste uur, over een gevluchte Soedanees die op Schiphol aankomt. En we zijn verrast wanneer Tommy Wieringa in De dood van Murat Idrissi uitgebreid de ontbinding van de Berber Murat neerzet. In zijn Librisprijs winnende roman Dit zijn de namen stelde hij nog over vluchtelingen: ‘Ze waren voorbijgangers, ze lieten geen sporen en geen herinneringen na.’ Dat we die fase inmiddels voorbij zijn, toonde Ilja Leonard Pfeijffer ons al meerdere malen en Wieringa nu ook in zijn laatste novelle. Dat hele boek is een korte weergave van hoe het Westen omgaat met vluchtelingen die de Middellandse Zee proberen over te steken. Het zet neer hoe die problemen letterlijk in onze poriën kruipen en hoe blij we zijn wanneer we die ergens kunnen dumpen. Het is expliciet en het is bij vlagen onsmakelijk. Wanneer de dode vluchteling eindelijk gedumpt wordt door de twee vrouwen staat er: ‘Dik en stroperig steeg de doodsgeur naar hen op. Het bloed in zijn ogen was zwart geworden, er lag een troebel waas op. De lijkstijfheid was verdwenen, hij voelde alleen nog maar week en weerzinwekkend.’

Je kan vaststellen dat er net als bij Hamid en Nguyen weinig ruimte is voor ironie, laat staan cynisme. Het zijn ook dat cynisme en die wrange humor, die we juist waarderen bij Dimitri Verhulst in zijn roman Problemski Hotel, en ondanks de gruwelijke scènes ook in Rodaan Al Galidi’s weergave van een asielzoekerscentrum in Hoe ik talent voor het leven kreeg. Of het zijn de empathieloze, afstandelijke reacties op een vluchteling die we prijzen in het werk van Coetzee.

De tijd van afstand nemen, ironische benadering en wrange humor is even voorbij. Zowel in de werkelijkheid, als in de literatuur lijkt het alsof betrokkenheid een steeds belangrijkere factor wordt. Het is natuurlijk niet te hopen dat we nu alleen maar romans krijgen die zo expliciet mogelijk zijn om de lezer in zijn luie stoel eens flink te confronteren met de ellendige actualiteit – de kans dat lezers massaal de literatuur links laten liggen wordt dan levensgroot. Een dergelijke benadering zou bovengenoemde romans ook tekort doen. Zoals Hamid bijvoorbeeld de steeds verder de oprukkende oorlog in de stad neerzet is een mooi staaltje van de manier waarop je wat en hoe literair kunt combineren: ‘Oorlog in de stad van Saeed en Nadia bleek opeens een intieme ervaring te herbergen, met strijders die stevig tegen elkaar aangeklemd stonden.’

Stel dat politici die om gesloten grenzen roepen ooit voor een rechter moeten verschijnen om zich te verantwoorden voor hun kortzichtige populisme dan zou deze roman van Hamid op de lijst van verplicht te lezen romans behoren te staan. Voor het zover is, zullen we als critici uit onze comfortzone moeten stappen en net als de schrijvers meer open moeten staan voor haakjes in de werkelijkheid.