Opinie

    • Dirk-Jan van Baar

Henk Krol heeft gelijk, de AOW moet terug naar 65 jaar

Sociale zekerheid begint met uitzicht op een bescheiden staatspensioen op een vast moment voor iedereen, schrijft
Foto iStock

Iedereen is gevallen over Henk Krol, die de AOW en de WAO verhaspelde. Seniele oude man, die nog een politiek nummer denkt te maken voor een seniorenachterban die er warmer bij zit dan ooit. Natuurlijk is zo’n ouderenpartij als 50Plus een ramp, want zij versterkt het foute idee dat een goede oudedagsregeling er alleen voor ouderen is en niet voor jongeren. Dat neemt niet weg dat Krol terecht pleit voor terugkeer naar de AOW-leeftijd van 65. Die hebben we sinds lang geïnternaliseerd en een politiek die daarmee sjoemelt, kan niet meer worden vertrouwd.

Door de vergrijzing en het feit dat we gemiddeld een langere levensverwachting hebben en in betere gezondheid verkeren, is het idee ontstaan dat die leeftijd omhoog moet. Als dat niet gebeurt, moeten steeds minder werkenden het stelsel voor steeds meer niet-werkenden dragen en wordt de AOW onbetaalbaar. Er wordt vaak bij gezegd dat de oude Drees, wiens naam onlosmakelijk met het stelsel is verbonden, in 1957 zelf al wees op de mogelijkheid van leeftijdsverhoging. Het is een rekenkundige logica waarop nauwelijks wordt afgedongen.

Maar wie zo redeneert, ziet een door de overheid gegarandeerd basispensioen louter als collectieve kostenpost en vergeet dat verhoging van de AOW-leeftijd ook een lastenverzwaring betekent. De individuele burger, die zich op jonge leeftijd nog geen kopzorgen hoefde te maken over een oudedagsvoorziening, moet nu zelf eerder en meer gaan sparen om later niet het risico te lopen in de kou te staan. In feite is sprake van een sluipende afwenteling van het sterke collectief op het kwetsbare individu. Dat gaat ten koste van de bestaanszekerheid, altijd meer een gevoel dan een rekensom.

De betaalbaarheid van de AOW is niet zozeer een financieel vraagstuk, als wel een kwestie van politiek en maatschappelijk draagvlak. Die was tot voor kort maximaal. Juist omdat iedereen mocht hopen de gezegende leeftijd van 65 te bereiken, was het niet moeilijk de hele bevolking van het nut van deze algemene volksverzekering te overtuigen. Iedereen had er baat bij.

Eerlijker kan niet – en de ongelukkigen die de 65 niet haalden hadden pech. Zo bezien financierde de AOW zichzelf terug in de vorm van maatschappelijke stabiliteit, een collectief goed van onschatbare waarde. Het zorgde ervoor dat iedere burger die hier veertig jaar woonde en premie betaalde een loyale stakeholder in de BV Nederland was. Tot economen voorrekenden dat het model op de lange termijn niet houdbaar was.

Sinds enkele jaren wordt de mijlpaal voor de oude dag op basis van abstracte rekenmodellen voor de gemiddelde levensverwachting, die vooral voor vrouwen stijgt, naar achteren geschoven. En dat gaat hard. Het nieuwe 65 is al 67-plus en jongere generaties mogen zich op 70 of meer verheugen. Dat geeft scheve ogen, zeker waar het vroegpensioen tien jaar terug nog de trend was. Logisch dat het dan met het maatschappelijk draagvlak is gedaan en dat de ouderen nu als gepamperde zeurpieten worden neergezet. Zij hadden al een leuke babyboomtijd en maken alles op. Kijk maar naar het feestbeest Henk Krol.

Merkwaardig is dat niemand de AOW-discussie in het perspectief plaatst van de wegkwijnende ‘gewone man’, over wie de laatste tijd zoveel te doen is. Hij heeft als kostwinner afgedaan, moet als flexwerker zijn inzetbaarheid bij de tijd houden, ziet zijn positie op de arbeidsmarkt met de jaren verslechteren en loopt het risico al rond zijn vijftigste te worden afgedankt. Zie dan maar eens een gezin te onderhouden waarop je later als hulpbehoevende nog een beroep kan doen, wat in onze participatiesamenleving de bedoeling is. Dat klemt des te meer omdat toekomstige generaties in hun onzekere loopbanen steeds meer ‘knikken’ mogen verwachten en voor lastiger keuzen komen te staan hoe en wanneer ze aanvullend pensioen moeten opbouwen.

We horen tegen de achtergrond van alle veranderingen op de wereldmarkt wel eens pleidooien van antiglobalisten voor een basisinkomen. Dat is en blijft een utopie. Tegelijk is Nederland vele malen rijker dan zestig jaar geleden. Dat maakt het bijzonder kleingeestig dat het basisinkomen dat we sinds 1957 wél hebben voor 50-plussers met een kansloze positie op de arbeidsmarkt en een lagere levensverwachting, steeds verder achter de horizon verdwijnt.

Sociale zekerheid begint met uitzicht op een bescheiden staatspensioen op een vast moment voor iedereen. Technocratische bestuurselites die zo’n minimale basis voor velen als financiële restpost zien en zelf van het ene warme bad in het andere glijden, komen van een koude kermis thuis.

    • Dirk-Jan van Baar