Gedoogbeleid ganzen is mislukt

Natuurbeheer

Het Nederlandse beleid om wilde ganzen in toom te houden heeft geen enkel effect gehad. Dat blijkt uit nieuw onderzoek.

Kolganzen grazen in de winter de Nederlandse graslanden af. Hier foerageren ze in een weiland in de Ooijpolder. Foto Flip Fransen

Ganzen hebben lak aan het Nederlandse ganzenbeleid. Ze laten zich niet voorschrijven waar ze wel en niet mogen grazen en trekken zich niets aan van selectieve jachtdruk. Dat had menige boer u zo ook wel kunnen vertellen, maar nu staat het zwart op wit, in het maartnummer van het wetenschappelijke tijdschrift Ambio. Sovon Vogelonderzoek Nederland trekt daarin een keiharde conclusie: het huidige ganzenbeleid, dat dateert uit 2005/2006 en dat ganzen probeert te concentreren in ‘gedooggebieden’ door ze elders te verjagen, heeft geen enkel effect gehad. De ganzen graasden in de jaren voorafgaand aan de maatregel gemiddeld 57 procent van de tijd in wat nu gedooggebieden zijn, en in de jaren daarna… óók 57 procent.

De aantallen ganzen in Nederland zijn in de laatste decennia spectaculair gestegen. Vooral de wintergasten, die in het hoge noorden broeden en bij ons overwinteren, zijn fors in aantal toegenomen. Het zijn er nu zo’n 2,3 miljoen – acht keer zoveel als in 1975. Daarnaast zijn er ook ’s zomers steeds meer ganzen in Nederland – naar schatting zo’n 150.000 broedvogels.

De oorzaak van die toename ligt in de intensivering van de landbouw. Ganzen zijn graseters, dus de sappige weilanden van de Nederlandse melkveehouders zijn voor hen luilekkerland. Door gebruik van kunstmest, ontwatering, intensief maaibeleid en het op stal houden van het vee zijn de weiden nu veel productiever.

De boeren zijn niet blij met al die ganzen op hun land. De schade loopt soms op tot wel tienduizenden euro’s per boer per jaar. De Nederlandse overheid betaalt de boeren daarom schadevergoeding; in 2016 ruim 18 miljoen euro.

In de winter van 2005/2006 wezen provincies, in overleg met boeren, in totaal 80.000 hectare grond aan waar ganzen ongestoord mogen grazen. In andere gebieden worden ganzen juist actief geweerd, door verjaging en door jacht. Jaarlijks worden er zo’n 100.000 ganzen geschoten.

Het idee was dat de ganzen zich daardoor zouden concentreren in de gedooggebieden, en dat de totale schade aan graslanden zou dalen. Dat blijkt een illusie. De ganzen laten hun gebiedsvoorkeur niet beïnvloeden door verstoring, en de laatste jaren is er alleen maar méér schadevergoeding uitgekeerd: nu twee keer zoveel als drie jaar geleden.

Menno Hornman, coördinator van de landelijke watervogeltellingen bij Sovon, is niet erg verbaasd door de uitkomst van het onderzoek. „Feit is dat er ook veel goede graasgebieden buiten de gedooggebieden liggen”, zegt hij, „En dat in een aantal gedooggebieden het plafond is bereikt. Het is moeilijk ze daar allemaal binnen te houden, zeker als de verjaging minder intensief is dan de bedoeling was.”

Hoeveel er precies wordt verjaagd en gejaagd in de niet-gedooggebieden, weet hij niet – dat wordt niet bijgehouden. „Maar het is niet waarschijnlijk dat de verjaging gelijkmatig is verdeeld”, zegt Hornman. „Boeren die schade aan hun grasland vergoed krijgen, vinden het misschien niet altijd nodig om de ganzen te verjagen.” Andersom zijn er boeren binnen de gedooggebieden die de ganzen nog wel eens willen verjagen. Hornman: „Dat heb ik zelf ook wel zien gebeuren. Hoeveel dat gebeurt, durf ik niet te zeggen.”

Maar een belangrijker probleem met dit beleid, vermoedt Hornman, is dat niet altijd de meest ideale gebieden zijn aangewezen als gedooggebied. Veel geschikt grasland ligt buiten de gedooggebieden, en minder geschikt grasland erbinnen. Bij de aanwijzing van de gedooggebieden is wel geprobeerd rekening te houden met waar de ganzen toch al het vaakst verbleven. Maar boeren hóefden niet mee te werken aan de regeling.

Het is goed mogelijk dat boeren met de hoogste kwaliteit grasland eerder geneigd waren ‘nee’ te zeggen. Hoe dan ook zijn de gedooggebieden versnipperd en grillig van vorm. Gedoog- en verjaaggebieden liggen dikwijls om elkaar heen gevouwen. „Voor een gans is er dus geen touw aan vast te knopen waar hij wel en niet mag grazen”, zegt Hornman.

Voor een gans is er geen touw aan vast te knopen waar hij wel en niet mag grazen
Menno Hornman, vogelonderzoeker

Hornman denkt niet dat het concept van de gedoog- en verjaaggebieden nu meteen op de schop gaat. „Vanaf 2013 is het beleid gedecentraliseerd”, zegt hij, „de provincies bepalen nu zelf wat ze doen. Veel zijn er al begonnen het probleem op andere manieren aan te pakken. Verjagen met lasers schijnt wel goed te werken. En sommige boeren gebruiken schaapshonden om de ganzen een bepaalde kant op te sturen.”

Noord-Holland, een van de ganzenrijkste provincies van Nederland, houdt in elk geval vast aan de aangewezen gebieden waar ganzen ongestoord mogen foerageren, meldt woordvoerder Harriët Wijker. Een deel van die gebieden valt onder de Europese Natura-2000-regeling, die stelt dat landen bepaalde doelsoorten in natuurgebieden moeten beschermen – ook ganzen. Maar ook in boerenland vindt de provincie gedooggebieden belangrijk. „Ganzen horen bij onze gras- en waterrijke provincie”, zegt Wijker. „We houden die aangewezen foerageergebieden in stand om ervoor te zorgen dat de ganzen voldoende kunnen eten om na de winter weer terug te vliegen naar hun broedgebieden.”

Buiten die aangewezen gebieden mogen de ganzen worden verjaagd, gedood en op andere manieren worden bestreden, bijvoorbeeld door het ‘behandelen’ van nesten. Daarbij worden de eieren geschud of met olie ingesmeerd, waardoor ze niet uitkomen. Maar die bestrijding is niet per se bedoeld om de ganzen in de gedooggebieden te concentreren – enkel om de aantallen ganzen én de schade aan grasland te beperken, aldus Wijker. Het onderzoek van Sovon verandert daar niets aan.

Wat er volgens Hornman dan wel moet gebeuren? „Ik heb ook niet direct een pasklare oplossing”, zegt hij. „We moeten accepteren dat we in een waterrijk land wonen, met ongelooflijk rijk grasland. En daar horen ganzen bij. Dit is de consequentie van onze manier van landbouw bedrijven.” Er zit maar één ding op: niet zeuren, en de schade van boeren vergoeden. De groei van het aantal ganzen is overigens al aan het afvlakken, merkt Hornman op. En meer jagen en verjagen? „Nee, dat heeft geen zin”, zegt Hornman. „Bovendien tref je daar ook kwetsbare soorten mee die samen met ganzen foerageren, zoals kleine zwaan, kievit en goudplevier.”

    • Nienke Beintema