Recensie

De Gestapo steunde op talloze verklikkers

Gestapo

Een Britse historicus werpt een breder licht op Hitlers ‘geheime politie’. Veel Gestapo-agenten blijken geen fanatieke nazi’s te zijn geweest, maar gewone, (over)ijverige politiemannen.

Reinhard Heydrich (1904-1942), hoofd van het Reichssicherheitshauptamt waarvan de Gestapo onderdeel was Foto Henry Guttmann/Getty Images)

Duistere duivels in lange zwarte jassen, een gummiknuppel in de hand. Folterkelders waar de kreten van onschuldige slachtoffers gesmoord werden in nóg een ongenadig pak slaag. Het woord ‘Gestapo’ zal bij velen een dergelijk beeld oproepen. De geheime politie (Geheime Staatspolizei) van nazi-Duitsland staat bij het grote publiek nog altijd symbool voor de meedogenloosheid waarmee het Hitler-regime zijn tegenstanders verpletterde: de Gestapo als almachtig terreurapparaat dat Duitsland en de bezette gebieden in een ijzeren greep van angst hield.

Historici zetten al een tijd kanttekeningen bij dit beeld. Veel Gestapo-beambten waren geen fanatieke nazi’s, maar werkten tijdens de Weimarrepubliek al als politieagent. Zij probeerden hun werk ‘volgens de regels’ te doen: geweld tijdens het verhoor was officieel verboden. Daarbij kwam dat de in 1933 opgezette organisatie nooit meer dan 16.000 medewerkers in dienst had. De Gestapo was voor haar succes volledig afhankelijk van de bereidheid van ‘gewone Duitsers’ hun landgenoten te verklikken.

De Britse historicus Frank McDonough (1957) brengt in zijn nieuwe boek Gestapo. Mythe en realiteit van Hitlers geheime politie een synthese van deze wetenschappelijke inzichten én voegt er nieuw archiefonderzoek aan toe. Bijna al het papierwerk van de dienst ging aan het einde van de oorlog verloren – vernietigd door de Gestapo zelf, of als gevolg van geallieerde bombardementen. In Düsseldorf liggen echter nog 73.000 dossiers, die McDonough onderzocht.

Mythe

De conclusie die hij trekt, is ondubbelzinnig: ‘De veronderstelling dat Gestapo-agenten mensen arresteerden, hardhandig verhoorden en naar een concentratiekamp stuurden, is een mythe. Elke zaak werd grondig bestudeerd voordat er een beslissing over een straf werd genomen. […] Veel arrestanten werden zonder aanklacht in vrijheid gesteld.’ Niet meer dan de helft van de zaken die de Gestapo behandelde, leverde een veroordeling op, aldus McDonough.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat de Gestapo een gewone politiedienst was; ze bekommerde zich niet om ‘normale’ misdaden, maar om politieke criminaliteit. De wetten die het werk van de agenten schraagden, hadden het gemunt op bevolkingsgroepen die als vijand van de nationale gemeenschap werden beschouwd: communisten, joden, zigeuners en gelovigen die God en geweten verkozen boven Hitler.

McDonough behandelt de lotgevallen van deze groepen in afzonderlijke hoofdstukken en de lezer krijgt aldus een lange parade van Gestapo-verdachten voorgeschoteld. De auteur had hier en daar wel iets meer maat kunnen houden, want het boek voelt soms wat opsommerig aan. Daar staat tegenover dat de rijkdom aan beschreven gevallen een goed beeld schetst van de soms absurd zorgvuldige werkwijze van de Gestapo.

McDonough presenteert tientallen casussen, waarin de Gestapo-agenten zich vaak bedienden van hun favoriete onderzoeksmethode: het recht om iemand ‘voor zijn eigen bescherming’ in hechtenis te nemen, zonder dat er meteen een aanklacht hoefde te volgen. Dat gaf de beambten de tijd om een flink dossier op te bouwen. Ondanks, of misschien wel dankzij, deze zorgvuldigheid liepen veel zaken met een sisser af.

Omdat McDonough zich baseert op de officiële rapporten – daarin is uiteraard nooit sprake van de toepassing van gewelddadige ondervragingstechnieken – dreigt de lezer bijna te vergeten dat de Gestapo niet alleen een typisch Duitse efficiënte politiedienst was, maar ook een misdadige organisatie met talrijke medewerkers die wel degelijk geweld gebruikten als ze meenden een vijand van het volk tegenover zich te hebben.

Berechting

Daarom is het goed dat McDonough zijn boek afsluit met een hoofdstuk waarin de naoorlogse berechting van de Gestapo en haar medewerkers centraal staat. Hier ontmoeten we onder anderen agent Otto Dihr uit Keulen, die in de denazificatie-periode van de autoriteiten trachtte een papier te bemachtigen met de mededeling dat hij een onbesmet blazoen had, in de volksmond ook wel Persilschein genoemd, naar het wasmiddel dat zo schoon waste. Aanvankelijk leek hij daarin te slagen. Dihr was een ‘gewone’ Gestapoman, een beroepsagent die al sinds 1922 bij de politie zat en pas in 1937 lid was geworden van de nazi-partij. In zijn dossier waren geen reprimandes te vinden vanwege het gebruik van ‘intensieve verhoortechnieken’. Sommige mensen die hij had verhoord omschreven hem als ‘professioneel en humaan’.

Maar toen meldde zich een aantal slachtoffers van Dihr. Een vrouwelijke Jehova’s Getuige verklaarde dat hij haar tot bloedens toe had afgeranseld, een communistische arbeider beweerde dat Dihr hem had geslagen en geschopt en een andere communist meldde dat Dihr hem met een stoelpoot zo hard had toegetakeld dat hij blijvend invalide was geworden. De laatste man deed zijn verhaal in een rolstoel. Dihr werd na vijftien van dit soort verklaringen veroordeeld tot twee jaar en zeven maanden gevangenisstraf wegens wat de rechter ‘brute en zware mishandeling’ noemde.

Ondanks dat de Gestapo tijdens de processen van Neurenberg tot ‘criminele organisatie’ was bestempeld, behoorde Dihr, die na zijn vrijlating gewoon aanspraak kon maken op zijn volledige pensioen, tot de kleine minderheid van Gestapo-agenten die persoonlijk werd gestraft voor misdragingen. Naar schatting vijftig procent van medewerkers van de Gestapo vond weer werk in de ambtenarij. Zij verwisselden nogmaals van broodheer: van de Weimarrepubliek, via het Derde Rijk naar de Bondsrepubliek: voor deze plichtsgetrouwe mannen was dat geen probleem. Voor Duitsland kennelijk ook niet.

    • Bart Funnekotter