Willem Jeths: „Vrijwel al mijn muziek is een poging om de dood te bezweren”

Première

Aanstaande zaterdag gaat het van componist Willem Jeths in première. „De requiemtekst beschrijft een tijdloos menselijk rouwproces.”

Van zijn vroege orkestwerk Throb tot aan zijn Eerste symfonie: al jaren waart de dood als een onontkoombare schaduw door het oeuvre van Willem Jeths (1959). De opdracht van de NTR ZaterdagMatinee om een Requiem te componeren was hem dus op het lijf geschreven. Aanstaande zaterdag gaat het werk voor sopraan, bariton, koor en orkest in première in Het Concertgebouw.

Waarom heeft de dood zo’n prominente plek in uw werk?

„Omdat het zo’n universeel thema is. Vroeg of laat moet ieder mens zich verhouden tot zijn sterfelijkheid. Ongetwijfeld speelt ook mijn eigen doodsangst een rol. Ik ben heel lang ontzettend bang geweest voor de dood, voor de onbevattelijke overgang naar het niet-meer-zijn. Die angst begint inmiddels plaats te maken voor berusting, maar ik heb nog altijd een grote fascinatie voor de dood. Het sterven is voor mij een van de grootste mysteries van het leven.”

In de traditionele dodenmis krijgt dat mysterie een zeer religieuze invulling. Hoe kijkt u daar als niet-gelovig mens tegenaan?

„In strikte zin ben ik inderdaad niet gelovig. Ik heb ook helemaal niets met de kerk als instituut. Maar spiritualiteit is wel degelijk belangrijk voor me. Bovendien heeft de rooms-katholieke rite mij van jongs af aan sterk aangetrokken. Ik zat op een katholiek gymnasium waar nog enkele paters lesgaven. In het naastgelegen klooster werd iedere zondag de mis opgedragen. In het Latijn, met de traditionele gezangen en gebeden. De rituelen, de symboliek, het enorme verleden dat daarin doorklonk, ik vond dat allemaal boeiend. Die herinneringen kwamen allemaal weer terug tijdens het componeren.”

Over dat verleden en die symboliek: u baseert zich op de eeuwenoude Latijnse mistekst, compleet met archaïsche voorstellingen van hel en verdoemenis, eeuwig licht en verlossende engelen.

„Ja, sommige passages doen nogal anachronistisch aan. Daarom heb ik ook behoorlijk in de tekst geschrapt. Vooral in het ‘Dies irae’, waarin hele alinea’s over schuld en zonde staan die in mijn ogen niet meer stroken met deze tijd. En toch, in essentie beschrijft de requiemtekst een tijdloos en algemeen menselijk rouwproces. Aan de hand van vaststaande gebedsformules en symbolen maken angst en radeloosheid geleidelijk aan plaats voor berusting, troost en verzoening. Die louteringsgedachte loopt ook als een rode draad door mijn werk. Vrijwel al mijn muziek is een klinkend per aspera ad astra [‘Door beproeving naar de sterren’, red.], een voortdurende poging om de dood te bezweren en te overstijgen.”

Ik vind iets waarachtigs in de stilte

In Jeths’ Requiem gaat het niet anders toe. In een klein uur lossen beukende orgelclusters, daverende akkoorden en vierdubbele forte-dynamieken (‘Praefatio’ en ‘Dies irae’) op in de fluisterzachte, sacrale koorzang van het ‘Libera me’. In het afsluitende ‘In paradisum’ zingen sopraan en bariton gregoriaans getinte melodieën die traag rijzen en dalen. Zilverachtig celesta-getinkel en de breekbare klank van een sopraanblokfluit schilderen een hemelse vrede.

Binnen het symfonieorkest is de sopraanblokfluit geen gangbaar instrument. Vanwaar deze keuze?

„Van oudsher is de blokfluit een symbool voor vergankelijkheid. Daarom staat hij ook vaak afgebeeld samen met een doodskop op zeventiende-eeuwse vanitas-schilderijen. Tegelijkertijd verklankt het instrument voor mij puurheid en sereniteit. De laatste jaren zoek ik steeds nadrukkelijker naar verstilling in mijn muziek. Ik vind iets waarachtigs in die stilte, een geestelijke concentratie. Of je dat religieus kunt noemen? Ja, misschien ben ik door het schrijven van mijn Requiem wel een religieuzer mens geworden.”

    • Joep Christenhusz