Opinie

Ga vandaag behalve kiezen ook lezen

Opinie Autoritaire leiders vrezen boeken, schrijft , want literatuur is tegenspraak. In een democratie verbeelden verhalen de toekomst, ze maken het abstracte invoelbaar en kunnen ons waarschuwen.

De Nazi’s verbrandden stapels boeken, in de Sovjet-Unie werd menig schrijver vervolgd en in Birma lazen mensen tot voor kort stiekem George Orwells Animal Farm, waarin ze een vilein portret van hun junta meenden te herkennen. En dezer dagen – een kruispunt van radicaal verschillende wegen – worden dystopische romans als Orwells 1984 en Roths The Plot Against America opeens weer meer gelezen.

Ik ken het geweeklaag maar al te goed, niet in de laatste plaats van schrijvers zelf: ach, de literatuur. Da’s het werk van navelstarende sukkelaars die allang naar de zijlijn van het maatschappelijk debat zijn gerangeerd. Wie hoort hun gewogen woorden nog te midden van het online gekrakeel?

Maar mijn geloof in de relevantie van literatuur – mijn vak en mijn zuurstof – is het afgelopen jaar gegroeid. Literatuur kan ons helpen vooruit te kijken op een manier die een tweet of opiniestuk niet gegeven is. Toekomstverhalen hebben het vermogen het abstracte invoelbaar te maken, door een verband te leggen tussen de menselijke maat en de grote ideeën en bewegingen die de geschiedenis animeren. En, niet onbelangrijk, ons te waarschuwen.

Ik begrijp nu beter dat er een inherente reden is waarom autoritaire leiders boeken vrezen. Toen ik een maand geleden besloot een bundel nieuwe, dystopische verhalen te vergaren van Nederlandse auteurs, ontleende ik de titel aan een novelle van Robert Heinlein. In diens ‘If this goes on…’, verschenen in 1940, waarschuwt Heinlein voor een theocratisch Amerika, waarin de kerk de staat heeft gekaapt door gebruik te maken van massacommunicatie en psychologische beïnvloeding. Na de verkiezingen van 2012, waarin een zelfverklaarde Profeet president werd, zijn verkiezingen afgeschaft. Vanaf 2016 (!) is deze Profeet de facto dictator. „Wanneer een regering of een kerk tegen zijn onderdanen of volgelingen begint te zeggen: ‘Dit mogen jullie niet lezen, dat mogen jullie niet zien of weten’,” aldus de verteller, „dan is het eindresultaat tirannie, hoe heilig en goed de intenties ook waren.”

Een autocraat begint zijn overheersing altijd met woorden: angstvisioenen, indoctrinatie, het aanwijzen van zondebokken en een dosis vals utopisme. Tekst die strijdig is met zijn doelen vormt dan een existentiële bedreiging. Dat maakt literatuur de meest duurzame vorm van tegenspreken. De aartsvijand van de tirannie. Omdat literatuur door de bank genomen humaniseert en nuanceert, waar populisme en autocratie juist baat hebben bij ontmenselijken. En omdat de beste verhalen, anders dan tweets, zich blijvend verankeren in het collectieve geheugen.

Niet dat speculatieve fictie pretendeert de exacte toekomst te voorspellen. Zeker niet. Het is vooral een middel via de toekomst het heden te becommentariëren en vingers op zere plekken te leggen.

Communicatiewetenschapper Neil Postman stelde in 1985 in zijn Amusing Ourselves to Death dat Aldous Huxleys Brave New World (1932) een betere graadmeter voor onze cultuur zou blijken te zijn dan Orwells 1984 (1949). „Orwell vreesde diegenen die boeken zouden verbieden, Huxley vreesde dat er geen noodzaak was ze te verbieden, omdat niemand ze nog zou willen lezen. Orwell vreesde diegenen die informatie voor ons zouden achterhouden. Huxley vreesde diegenen die ons zo zouden overvoeren dat we tot passiviteit en egoïsme gereduceerd zouden worden. Orwell vreesde dat de waarheid voor ons verborgen zou worden. Huxley vreesde dat de waarheid zou verdrinken in een zee van irrelevantie.”

Maar veel elementen uit 1984 zijn evengoed pregnant gebleken: newspeak, waarin leugens opeens alternatieve feiten zijn, vergaande surveillance, in de hand gewerkt door ongekende technologische mogelijkheden en staatsparanoia, de narcistische eigenwaan van het bewind. Ja, je zou kunnen zeggen dat 2017 Brave New 1984 is, met toefjes van Philip Roths The Plot Against America (de demagogische celeb), Ray Bradbury’s Fahrenheit 451 (anti-intellectualisme), Margaret Atwoods The Handmaid’s Tale (vrouwenonderdrukking in een totalitaire theocratie) en Orwells Animal Farm (ongelijkheid). Niet één toekomstbeeld zal de werkelijkheid vangen, maar alle literaire vergezichten tezamen geven aanleiding om, te midden van de verwarrende maalstroom van (nep-)nieuws en meningen, langer stil te staan bij de betekenis van ontwikkelingen. En dus alerter te zijn. Terwijl een opiniestuk als dit morgen gewoon weer in de kattenbak ligt.

Zolang er een democratie is – en die zekerheid is in het Westen nu wankeler dan op enig moment sinds de Tweede Wereldoorlog – zal het bijstellen van de koers uiteindelijk in handen liggen van kiezers. Die kiezers zullen, daarvan ben ik overtuigd, vaak ook lezers blijken te zijn. Ach, de literatuur? Nee, de literatuur!