Sanne Wallis de Vries vraagt Wilders waar het pijn doet

Sanne Wallis de Vries

In ‘Gut’, haar eerste cabaretsolo in zeven jaar, zoekt Sanne Wallis de Vries naar licht in de duisternis. Zelf baadt ze in tevredenheid, maar de wereld is nog niet af.

Cabaretier Sanne Wallis de Vries in ‘Gut’ Foto Anne van Zantwijk

Sanne Wallis de Vries is wel klaar. Ze is 46 en heeft dingen gedaan en dingen gezien. Het leven is af voor haar, bedoelt ze: haar kinderen, haar relatie met haar man. Het is goed zo. Met dat statement zet ze Gut in, haar zesde cabaretvoorstelling.

Bij de innerlijke rust van het niet meer hoeven, ontstaat ruimte voor andere, buitenissige zaken, waar ze eerst geen tijd voor had. Daar geeft ze enkele geestig uitgewerkte voorbeelden van. Tussendoor formuleert ze een schitterende definitie van wie ze nu is: „Ik ben de vrouw geworden die ik niet wilde worden, maar omdat de vrouw die ik ben geworden dat niet erg vindt, vind ik dat helemaal niet erg.”

Ondanks die persoonlijke staat van rust en tevredenheid is er nog van alles wat haar stoort en bezighoudt. Ze observeert. Voor die positie beschikt Wallis de Vries over een fraaie metafoor: „Het leven is een circus, maar ik vind het circus niet vervelend, om naar te kijken.” Het is een metafoor die treffend haar ongemak in het leven illustreert. Let overigens op die komma na „vervelend”. Wallis de Vries kan goed komma’s aanbrengen in haar zinnen. Die klinken net iets subtieler dan zinspauzes waar je eerst even voor kan gaan zitten.

Tegenover haar eigen klaar zijn, stelt de cabaretier een wereld die er bar slecht aan toe is. Die tegenstelling is de basis van een hecht samenhangende en vernuftig gecomponeerde voorstelling. Met behulp van een handvol terugkerende begrippen en uitdrukkingen knoopt ze een schijnbare wirwar van verhalen, losse grappen, liedjes, dansjes en imitaties aan elkaar. Je voelt wel aan dat ze gezocht heeft naar het aanbrengen van dwarsverbanden tussen de scènes, maar die opgelegde structuur werkt wel. Het werkt zelfs verrassend goed.

Zullen we kijken of we het licht kunnen maken waar het donker is?

Zo vertelt ze eerst dat de praktische vrouw die ze is geworden aan het opruimen is geslagen – volgens de filosofie dat je spullen alleen moet behouden als ze ‘joy voor je sparken’. Dat keert terug in een door sarcasme omgeven, maar superromantische verwijzing naar haar echtgenoot. Maar vooral ook in een nummer over Geert Wilders, die op therapeutische wijze wordt benaderd. Met vragen als: „Waar doet het pijn?” „Geert, wat sparks joy voor je?” Dat is ook een manier om de boze politicus tegemoet te treden. Niet met venijn, maar met empathie, alsof het ergens ooit met hem mis is gegaan. Dan volgt een cruciale zin: „Zullen we kijken of we het licht kunnen maken waar het donker is?”

Optimistisch

Dat is niet alleen mooi omdat in ‘licht maken’ het vonken, het sparken, verwerkt is. Die invoelende zin is de kern van Gut en van het optimistische cabaret dat Wallis de Vries maakt. Want aansluitend vertelt ze hoe zij als „geloofloze” haar „pake”, haar Friese opa, als kind vroeg wat baptisme is. En dat hij antwoordde dat geloof een kwestie van naastenliefde is. Een kwestie van licht maken bij een ander die in het donker zit. Met die subtiele parallel tussen haarzelf en haar pake, tussen geloofloze en gelovige, legt ze ook een relatie tussen de mensen die het goede zoeken.

De tegenstelling tussen haar tevreden, lichte ik en de donkere wereld keert ook terug in de drie manieren waarop de titel langskomt. Allereerst in de zielloze kreet ‘gut’, als reactie op het nieuws dat er iemand is overleden. Dan in het Engelse ‘gut feeling’, een diepgeworteld gevoel dat Wallis de Vries plaatst tegenover naargeestige onderbuikgevoelens. En in het Duitse ‘Gutmensch’, dat door rechtse politici als PVV’er Martin Bosma als beledigend etiket wordt ingezet. Daar gaat ze fel en geestig tegenin, met als apotheose de vraag of ze straks – als de PVV aan de macht is – een lapje op haar jas moet dragen met G-U-T erop, om herkenbaar te zijn. En of ze dan wordt weggevoerd. En omdat ze zo ‘praktisch’ is ingesteld de vraag: hoe lang ze dan weg is? Dat is de meeste duistere frase van de voorstelling.

Daar staat tegenover dat ze op ontwapenende wijze, zoals in bijna al haar voorstellingen, ook het kind dat ze ooit was oproept: nog niet af, nog niet klaar, nog onwetend. De tienjarige, nog zonder borsten, en de dertienjarige, die leerde hunkeren van Prince. Het leidt tot een doorleefd eerbetoon aan de overleden popster en een gave uitvoering van zijn ‘Do me baby’ – waarbij de twee oude funkers die haar begeleiden op drum en gitaar excelleren.

Er zitten in Gut heus losse eindjes, rare frutsels en overbodigheden, zoals een sketch waarin ze drie bekende vrouwen parodieert. En tegenover het scherp aanbrengen van komma’s staat haar neiging om maar door te ratelen, waardoor ze wel eens zinnen om zeep helpt. Maar al met al is dit een overdonderende, zinderende voorstelling waarin droogkomische knallers en gekte een verfijnde balans vinden met ernst en diepgang. Het maakt Gut de beste voorstelling van Sanne Wallis de Vries en een van de beste cabaretvoorstellingen van dit seizoen.

Dat is verrassend, want het heeft niet voor niets zeven jaar geduurd voor Wallis de Vries weer met een programma kwam. Na het fletse Kaka Passa uit 2009/2010 leek ze klaar – als cabaretier. Ook in die vijfde solo kwamen haar kinderen, man en beppe/oma voorbij en parodieerde ze andere vrouwen, maar de angel in de verhalen ontbrak. Daarna ging ze acteren, zingen en vooral, met anderen optreden.

Emancipatie

Voor Gut grijpt ze terug op haar zeer geslaagde vierde solo, Vier (2005). Daarin zat bijvoorbeeld al een sketch waarin ze zei klaar te zijn. Maar dat was „met vrouw zijn”. Ze noemde zich, terwijl ze defensief plat op de grond lag, „het levende bewijs dat de vrouwenemancipatie geslaagd was”. Die voorstelling speelde ze, heel postmodern, met twee actrices/danseressen in een bijrol en die twee confronteerden haar met alle vrouwen die nog niet zo ver zijn. Haar hulpeloze antwoord was: „Daar kan ik toch niets aan doen.”

Fragment uit Wallis de Vries’ voorstelling ‘Vier’ (2005)

Daarmee benadrukte ze slechts het gevoel machteloos te zijn in verwarrende tijden. Het was in Vier het belangrijkste thema: wees tevreden met wat je hebt, ook al kun je niks veranderen aan het vele en grote onrecht om je heen. Die machteloosheid is in Gut op de achtergrond gedrongen. Het is een worsteling waar Wallis de Vries in haar werk steeds blijk van geeft: hoe moet een mens, in Nederland, zich verhouden tot zijn rijkdom en welzijn in een imperfecte, onrechtvaardige wereld.

Dat is niet het eerste waar je bij Sanne Wallis de Vries aan denkt. Voorop komt natuurlijk haar imitatietalent, dat ze jaren op televisie in het satirische programma Kopspijkers heeft geëxploiteerd. Voor die gave komt er ook vast publiek naar het theater. Gelukkig gebruikt ze haar expressiviteit steeds voor meer dan imiteren. De twee gezichtsuitdrukkingen die ze haar man in Gut toeschrijft, bijvoorbeeld, zijn een echo van de twee gezichten waarover mensen in Alphen aan den Rijn, waar ze opgroeide, zouden beschikken. Die toonde ze al in Sop, haar debuut.

Wat ze lang heeft volgehouden, maar nu niet meer doet, is hardop boeren. Dat was een ander rebels randje van haar: van alles willen doen en uitproberen, experimenteren. Gut is conventioneler, maar laat een gerijpt kunstenaar zien. Dat is haar kracht: wegblijven bij verantwoorde perfectie, maar op beheerste wijze wild, springerig en onbezonnen zijn.

    • Ron Rijghard