‘Er valt vaak niet met millennials te werken’

Millennials Vanuit zijn eigen ervaringen als baas schreef Japie Stoppelenburg (29) een handboek voor millennials: „Hun ego is gigantisch.”

Volgens Japie Stoppelenburg is er een groep die het zwaar heeft op de werkvloer. Zo zwaar, dat zij wel een handboek kunnen gebruiken. Hij kan het weten: hij is sinds tweeënhalf jaar creatief directeur van reclamebureau a friend of mine in Amsterdam – met 45 werknemers onderdeel van digitaal agentschap Dept. Het bureau maakt campagnes voor onder andere FrieslandCampina, Unilever, Philips, Rabobank, bol.com en G-Star. Zijn collega’s zijn bijna allemaal geboren tussen 1981 en 2000, de veelbesproken millennialgeneratie.

Deze donderdag verschijnt het boek dat hij speciaal voor hen schreef: You’re a legend and everyone else sucks. De voornaamste reden voor het ‘millennial-leed’: een veel te groot ego. En daar hebben niet alleen hun werkgevers, maar ook zijzelf last van.

Millennials worden belemmerd door hun ego, schrijf je. Leg eens uit?

„Het valt mij op dat millennials veel denken en praten, maar heel weinig uitvoeren. Ze weten precies wat er niet klopt, kunnen dat perfect analyseren. Maar vervolgens dóén ze er niets aan. Niet omdat ze lui zijn, het ligt aan dat ego. Dat is gigantisch. Het zit ze enorm in de weg.

„Een voorbeeld: vorige maand vroeg ik drie jonge werknemers iets te regelen. Om in aanmerking te komen voor een reclameprijs, moesten onze inzendingen nog verstuurd worden. Er zouden zich dus drie mensen over dat klusje ontfermen, maar aan het eind van de dag had niemand iets gedaan. Wél wisten ze exact waar het fout was gegaan, en vooral dat het niet aan hen lag. Dat is irritant. En ook wel verwend, toch? Ze zijn continu bezig met hoe ze overkomen en hebben hooggespannen verwachtingen van zichzelf – heus niet gemakkelijk. Maar vanuit werkgeversperspectief: er valt vaak niet met ze te werken.”

Je bent zelf ook een millennial.

„Ja, ik herken ook veel. Maar ik werk intussen wel al tien jaar in de reclamewereld, langer dan de meeste mensen van mijn leeftijd. Een heleboel struggles die zij ervaren, ben ik al voorbij.”

Is het niet wat generaliserend om alle millennials verwend te noemen?

„Ik heb het niet over álle millennials. Ik beschrijf wat ik zie bij de groep die bij ons werkt. Ik richt mij in mijn boek daarom vooral tot millennials in de creatieve sector. In creatieve beroepen heb je het zwaarder: creëren gaat gepaard met strijd. Je moet telkens iets nieuws en origineels bedenken. Dat kost tijd, zorgt voor teleurstellingen, en vergt doorzettingsvermogen. Je kunt het niet even op de automatische piloot doen. En wanneer die creatie dan ook nog binnen een bepaalde tijd en met een beperkt budget af moet zijn, kan dat helemaal misgaan.”

Hoe bedoel je?

„Als wij een opdracht van een klant binnenkrijgen, wordt er vaak gezucht of gerold met de ogen: ‘Moeten we dít maken?’ Zij hebben een veel beter idee, vinden ze, die klant heeft er helemaal geen verstand van. Sterker nog: ze gaan gewoon iets heel anders doen. Dat werkt natuurlijk niet. De klant wijst het idee af, er ontstaat frustratie. Dit alles ligt dan aan anderen, zéker niet aan hen. Intussen vergelijken ze zichzelf voortdurend met anderen, ze vragen zich af waarom anderen het allemaal beter doen. Waarom zijn ze nog steeds geen Beyoncé? Of Steve Jobs?”

Wat moeten millennials wel doen?

„Hun werk. Millennials die in de reclamewereld werken, zijn geen kunstenaars. Ze werken vóór een klant. Die bepaalt uiteindelijk of iets wel of niet doorgaat. Stel: je levert je broek bij een kleermaker af, omdat de rits kapot is. Dan wil je toch ook niet dat hij er een hoed van maakt, omdat hij ineens een artistieke ingeving kreeg?”

Zo creatief mogen jouw creatieve medewerkers dus niet zijn?

„Nee. Dat is wat teleurstellend, dat begrijp ik. Mijn werknemers vinden mij een sell out, omdat ik wil dat we naar de klant luisteren. Ik moet tegenwoordig beslissingen nemen waarbij ik onze begroting in het achterhoofd houd. Maar uit ervaring weet ik dat het sluiten van compromissen écht de enige weg is naar een gelukkig en werkzaam leven. Dat heb ik ook moeten leren.”

Hoe leerde je dat?

„Tijdens de allereerste reclamecampagne die ik leidde, ging alles verkeerd. We hadden het briljantste idee, vonden we zelf. Maar de klant bleef ons idee maar afwijzen, zelfs na tien perfecte pitches. We werkten nachten door, we kónden gewoon niet meer. Ondertussen voelden we ons totaal niet gesteund door de baas. Die zei dat we ons niet zo aan moesten stellen, dat we moesten doen wat ons was opgedragen. Ik dacht: ik moet hier weg. Ik bedacht allerlei plannen ervoor te zorgen dat ik ontslagen zou worden. Want als ik zelf ontslag nam, kon ik niet onder mijn hypotheek en mijn leaseauto uit. Ik was zelfs bereid weer bij mijn moeder te gaan wonen.”

Waarom zijn ze nog steeds geen Beyoncé? Of Steve Jobs?

Waarom bleef je toch?

„Omdat ik me realiseerde dat het ergens anders niet veel beter zou zijn. Tijdens dat drama voerde ik veel gesprekken met mensen die al veel langer in het reclamevak zaten. Zo kwam ik erachter dat mijn verwachtingen niet realistisch waren. Zo slecht had ik het niet, eigenlijk. Ik verdiende goed en werkte samen met mijn vrienden. Dus besloot ik dat ik maar wat in moest schikken. Die reality check had ik achteraf blijkbaar nodig, want daarna ging alles soepeler.”

Maak je nu nog wel dingen die je zelf mooi vindt?

„Jawel, maar niet altijd. En dat is oké. Ik sluit liever een compromis zodat we voor de volgende campagne weer worden gevraagd. En daar dan misschien wél voor kunnen knallen.”

Dus nu geen worstelingen en onzekerheden meer?

„Ik snap beter hoe het werkt, dat scheelt een heleboel ruzie. En ik ben ook wel een stuk minder onzeker. Denk ik. Volgens mij.”

Naschrift: Caroline van Keeken heeft als eindredacteur meegewerkt aan het boek van Stoppelenburg. [red.]