De enige schuldvraag die Den Haag niet stelt

De Duitsers hebben begrotingstekorten bij wet vrijwel verboden. Maar waar de Oosterburen een aparte Schuldenbremse in het leven riepen, kan de Nederlandse politiek het zonder dwang. Dat is opmerkelijk. Bij de doorrekening door het Centraal Planbureau komen alle deelnemende politieke partijen weliswaar lager uit dan het ‘basispad’ van het CPB dat zou leiden tot een overschot van 0,9 procent in 2021. Maar voor de rest is het zuinigheid troef.

Dat is best vreemd: wél te hoop lopen tegen de harde bezuinigingen en ombuigingen sinds de crisis van 2008. Maar dan, mocht je de macht krijgen, niet het tekort op laten lopen om al dat flagrante onrecht weer ongedaan te maken. De ironie is dan ook groot dat de partij die nog het ruimst omgaat met de financiën uitgerekend de PvdA is – al is dat zeer relatief.

Al die financiële deugdelijkheid leidt tot een steeds verder dalende staatsschuld. Het basispad van het CPB geeft hier 52,3 procent in 2021. Die staatsschuldquote valt bij doorrekening van de partijprogramma’s niet veel anders uit. Er worden veel schuldvragen gesteld in Den Haag, maar deze niet.

De staatsschuld is boven elke discussie verheven, en dat is maar goed ook

Waar ligt dat aan? We leven in een land waar ministers van Financiën populair zijn. Bij opiniepeiler Ipsos krijgt Dijsselbloem van het publiek het hoogste rapportcijfer van het hele kabinet, hetgeen bij de huidige stand van de PvdA extra wrang moet zijn. Dijsselbloem wil overigens naar een staatsschuldquote van nog maar 40 procent.

Er zijn ook belangrijke externe factoren voor dit collectieve gedrag. Iedereen lijkt inmiddels wel te begrijpen dat we in termen van begrotingspolitiek eigenlijk Duitser moeten zijn dan de Duitsers. Niet uit vrije keuze, maar uit noodzaak. We gaan vier hoogst onvoorspelbare jaren tegemoet. De vraag of de euro deze periode ongeschonden doorkomt, is legitiem.

Bovendien: de rente op staatsleningen is buitengewoon laag. De staat betaalde woensdag 0,61 procent rente op een tienjarige lening. Volgens de OESO is Nederland dit jaar nog maar 0,6 procent van het bruto binnenlands product kwijt aan rente op de staatsschuld. Dat is nog minder dan Duitsland en zesmaal zo weinig als Italië.

Het is, op zijn zachtst gezegd, niet waarschijnlijk dat dit altijd zo blijft. De inflatie loopt alweer op. Als die inflatie op termijn het doel van de ECB van tegen de 2 procent duurzaam bereikt, en de reële rente terugkeert naar een ‘normale’ waarde van zo’n 1,5 procent, dan kijk je aan tegen een rentestand van 3,5 procent. En dan lopen de lasten op de staatsschuld ook weer op, ook al duurt dat een tijdje.

Op de obligatiemarkt, waar staatsleningen worden verhandeld, houden ze steeds meer rekening met een forse correctie van de obligatiezeepbel, die in de VS zal beginnen. Europa zit nog grotendeels vast in het korset van de ECB, die nog steeds grootschalig steunaankopen doet. Maar dat program, dat volgende maand terug gaat van 80 miljard euro per maand naar 60 miljard, loopt op zijn laatste benen. Intussen rust er alleen al als gevolg van dat beleid al (schrik niet) 1.394 miljard euro aan staatsleningen van eurolanden op de balans van de ECB. Die moeten vroeg of laat toch worden verkocht – want anders begint de hele operatie nóg meer op monetaire financiering te lijken dan hij nu al doet.

De euro, de obligatiezeepbel en de straks stijgende rente: in welke hoek wil je zitten als de zaak klapt? Een staatsschuld moet je voortdurend herfinancieren. Als hij laag is, dan daalt dat risico. En het geeft begrotingsruimte bij een volgende recessie. Deze consensus lijkt er te zijn in Den Haag. Tot een spetterend debat leidt dat niet. Maar is dat verlies? Nope.

    • Maarten Schinkel