De brieven van Ed. Hoornik

Erica Stigter is de dochter van Ed. Hoornik.

Mijn vader Ed. Hoornik (1910-1970) werd op 9 maart geboren in Den Haag in een zeer katholiek gezin. Hij had een oudere broer, Peter. Zijn moeder stierf toen hij negen jaar was. Dit heeft diepe indruk op hem gemaakt. Zijn vader, inmiddels hertrouwd, stierf in 1934. Eddie was in 1932 met zijn vader op een vakantiereis in Duitsland waar hij in Bad Ems mijn moeder, Liesl Nussbaum, ontmoette, die daar een tennistoernooi speelde. Zij trouwden in 1934 en gingen in Amsterdam wonen. Ze kregen drie dochters, Marianne in 1935 en de tweeling Eva en Erica in 1937. Eddie had al naam gemaakt als dichter en verscheidene bundels gepubliceerd, waaronder Mattheus en Geboorte. Hij werkte op de redactie van het Algemeen Handelsblad, waar hij Wim Hora Adema leerde kennen.

Ik wil nu verder alleen zijn oorlogstijd belichten, aan de hand van zijn brieven, veertien brieven uit het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, dertig brieven uit het KZ Vught, gericht aan Liesl en Wim Hora Adema, en twee uit het KZ Dachau, gericht aan Frau Johanna Nussbaum, de moeder van Liesl, en mijn eigen herinneringen.

Donderdagavond 18 augustus 1943 waren Marianne, Eva en ik alleen thuis. Er werd aangebeld, en wij hebben een ons onbekende man binnen gelaten. Zo herinner ik het mij. Mijn vader beschrijft het iets anders. Uit de eerste brief uit de gevangenis, gericht aan Wim Hora Adema: ‘Er waren die avond, na een fuifje met Bert Bakker in de stad {in verband met de uitgave van Tweespalt, ES}, de volgende mensen in mijn woning: Popke Bakker, Bert Bakker, Mientje {de vrouw van Pam Pooters, ES}, Gerard de Brabander, mijn vrouw, Miesje (een meisje dat bij Bets van Loonhuysen woont) en ik. Tegen elf uur kwam een zekere Katan die ik niet kende, en die Mientje moest spreken, en daarom maar bleef. Wij bleven enige uren gezellig bijeen en gingen toen slapen. Om halfzes stond de S.D. voor de deur. Bert Bakker en die Katan werden gebonden, de anderen geboeid weggevoerd naar de Euterpestraat waar we tot ’s avonds halfzes in aparte cellen bleven. Toen werden mijn vrouw, Mientje en Miesje, naar de Amstelveenseweg gebracht. De anderen vervolgens naar de Weteringschans. (…) Ik hoor verder dat die Katan van de meest ernstige feiten wordt verdacht en terwijl wij verder niets met hem te maken hebben, alleen Mientje misschien – ik weet dat niet! – staat onze en vooral mijn zaak er weinig gunstig voor omdat de man in mijn woning is gevonden. Je weet dat de kinderen door de S.D. ergens zijn heengebracht. Kun je informeren waarheen?’

Marianne, Eva en ik waren die nacht door mama naar de bovenburen gebracht. Door bemiddeling van een buurman, die bij de politie werkte, zijn wij de volgende dag bij drie families in de Stadionstraat ondergebracht. Wij zijn daar gebleven tot mijn moeder na zes weken uit de gevangenis werd vrijgelaten. Als Duitse had zij een vreselijke tijd in de gevangenis. Iedereen dacht dat ze een spion was.

De rest van de brieven uit de Weteringschans gaat vooral over eten, medicijnen (Eddie was maagpatiënt), het eenmaal per dag luchten en over hoe de briefjes verstopt moesten worden – in de band van een pyjamabroek van de schone was. Hij schreef ook over boeken, onder andere Sartre, die hij mocht lezen en over zijn vier celgenoten, voor wie hij ook briefjes naar buiten smokkelde. De laatste brief uit Amsterdam is van 26 oktober 1943.

Verblijf Vught
Eddie werd met de trein naar Vught gebracht, tegelijkertijd met onder anderen Mien Pooters. De gevangenen mochten een pakje van 3 kilo per week ontvangen. Eddie vraagt vooral om boter, maagpoeders, sigaretten en boeken. Eens per maand mochten de gevangenen een brief schrijven en ontvangen.

Uit een brief van 3 december 1943:
’Mijn werk hier neemt me volledig in beslag, dit heeft het voordeel dat de dagen snel voorbijgaan, maar ik verder tot niets anders kom dan tot het noodzakelijke administratieve werk, waarvan de waarde op zijn minst twijfelachtig is.’

26 februari 1944:
‘Hoe vind je “Tweespalt”? Ik hoop later sterkere gedichten te schrijven, in ieder geval anders georiënteerde als deze zwaarmoedige naar het sentimentele zwemende belijdenislyriek der openingsverzen. Het is mij nog altijd niet gelukt tot rust te komen, dit bestaan te aanvaarden, erboven uit te komen, en geduld te oefenen, al beleef ik soms een enkel geluksmoment als ik ‘s avonds door de vrieskou alleen barakwaarts ga, het prikkeldraad en posten vergeet in het beschouwen van de hemel. De gedachte dat er misschien nog vele seizoenen voorbij zullen gaan, voor ik weer vrij kan ademhalen, obsedeert me vaak, maar erger zijn mijn vrezen om wat jullie en mij bij een invasie te wachten staat. Ook het dreigend gevaar van iedere dag: bunker, strafcompagnie en een zwaar buitencommando weet ik nog niet met een mannelijk fatalisme te verwerken: aan de andere kant kan ik ook niet nalaten risico’s te lopen en het leven van mezelf en anderen te veraangenamen. Ook hier dus een tweespalt, een spanning, die jouw en Wims brieven noch de activiteit van De P. geheel kunnen wegnemen, en die mij ook van de poëzie afhoudt, al voel ik de muze soms naderen en voorbijgaan. Natuurlijk hoop ik op een gunstig resultaat van jullie pogen, maar bij de steeds strenger wordende maatregelen, waarvan ik dagelijks via het Hbl kennis neem, kan ik er nauwelijks in geloven, temeer omdat immers het woordje Kriegsdauer mijn akten Dachaulezing 2017, In het licht van Ed. Hoornik, Literatuurmuseum, Den Haag Nederlands Dachau Comité 12 siert. De plannen, waarover ik in een briefje aan Wim schreef, heb ik voorlopig laten varen, hoewel meer dan een mij op dit gebied is voorgegaan en slaagde. ‘s Avonds praat ik veel met Telders en Nico Rost, mijn tafelman en ook met de beeldhouwers Van Hall en Van Zweden, die hier een eigen atelier hebben en welke laatste de tekening waarover ik schreef, nog niet heeft voltooid.’

14 maart 1944:
“Vanmorgen heb ik Schutzhaft getekend. De beschuldigingen komen hierop neer: 1e dat ik aan een oproep van de S.D. geen gevolg heb gegeven en daardoor haar werk heb bemoeilijkt, 2e word ik dringend “verdächtigt” lid geweest te zijn van een communistische illegale terreur- en sabotageorganisatie.”

Eddie is op 26 mei 1944 samen met Nico Rost en Piet Maliepaard naar Dachau gestuurd. Zonder Maliepaard had Eddie Dachau niet overleefd. ‘Als je maar wist dat hij in de buurt was had je al het gevoel dat er iets was om tegen aan te leunen’, schreef Eddie na de oorlog. ’Als je het soms echt niet meer wist stond-ie opeens naast je.’
Ook kreeg Eddie pakjes uit Dierdorf, van de familie van Liesl.

Na de bevrijding van Dachau op 29 april 1945 gaven Hoornik, Rost en de Belg Marc van Hasselt in Dachau het gestencilde blad De Stem der Lage Landen orgaan der Nederlanders in Dachau uit.
Het eerste nummer verscheen op 2 mei, het laatste op 24 mei. In totaal verschenen er twintig nummers, omdat de Nederlandse repatriëring uiterst traag verliep. Op het voorblad stond als vertrouwensman Pim Boellaard en als adres Laboratorium Revier.
Eddie zei daar later over:
‘Dat moment, dat je weer papier in je poten had! We stonden op ‘heilige grond’, het SS-Lager waar nog nooit iemand van ons had mogen komen, al lag het tweehonderd meter van onze barak af. Wie er naar binnen moest, kwam nooit meer terug. Die vond je later opgehangen of doodgeschoten. En daar sta je opeens te graaien in stapels papier van de SS; makkers dragen een stencilmachine op hun schouders weg, schrijfmachines, drukinkt.’

Dodenherdenking in Dachau

Op 10 mei 1945, in een plechtige bijeenkomst op de appelplaats van het concentratiekamp, hebben bevrijde Nederlandse, Belgische en Luxemburgse gevangenen de doden van vijf oorlogsjaren herdacht. Een vertegenwoordiger van het Amerikaanse leger woonde de plechtigheid bij. Voor de Nederlanders sprak Ed. Hoornik. Hij zei onder meer:

‘De dood loerde in onze kleren, in onze bedden, hij stak ons in het vlees. Met de laatste transporten hield hij openlijk intocht. Ik bevond mij in het bad. Doden en Dachaulezing 2017, In het licht van Ed. Hoornik, Literatuurmuseum, Den Haag Nederlands Dachau Comité 13 zieken lagen op de stenen vloer dooreen. De douches werden opengedraaid. Door de damp heen ontwaarde ik een jongen, die stervende was. Hij lag achterover. Onafgebroken stortte het water over hem heen. Het viel in de holte van zijn buik, waarin het bleef staan, het stroomde over de knokels van zijn armen en benen, het kletterde op zijn ribben, het liep in zijn mond, die halfopen was, en in zijn ogen, die hij in een lange blik nog eenmaal opsloeg. Terwijl ik dacht, dat hij al gestorven was, gestorven als die andere duizenden hier, zonder klacht, woordeloos, in een ondenkbare eenzaamheid, zag ik hoe zijn hand langzaam over de vloer schoof, als wilde zij ergens heen. Plotseling begreep ik, dat hij de hand van de man die naast hem lag, wilde omvatten om niet alleen in de dood te zijn…’

Op 17 mei vertrok de beroemde bus, die Hans Gerritsen bij de Amerikaanse legerleiding had weten te versieren, met o.a. Ed. Hoornik, Piet Maliepaard, Nico Rost, Jo Vis, Dirk de Loos, C. Steensma en W.L. Brugsma uit Dachau. Ze kwamen niet verder dan Nijmegen, waar de ontvangst allerminst hartelijk was. Ze moesten twee weken in quarantaine. Eddie wist aan de quarantaine te ontsnappen en schreef een artikel in De Volkskrant van 24 mei: Het leed dat begon waar het lijden had moeten eindigen. Prins Bernard las dit artikel en zo kwam Hoornik in de rang van kapitein in de staf van Bernard terecht en moest hij naar Parijs om te rapporteren hoe de Fransen de repatriëring van hun gevangengenomen burgers aanpakten.

Ik weet niet of mijn moeder na de bevrijding wist dat Eddie nog leefde. Mijn zusje Marianne zat inmiddels al maanden in Hoorn, omdat er niet genoeg eten was. Ik weet nog heel goed hoe er bij ons in de Stadionstraat werd aangebeld en ik opendeed. Er stond een man in een camouflagepak voor de deur die ik niet herkende. Ik riep mijn moeder en uit de commotie die toen ontstond begreep ik dat die vreemde man mijn vader was. Hij bleef maar kort bij ons, hij moest de volgende ochtend naar Parijs.

In 1949 verliet Eddie zijn vrouw en kinderen om met Mies Bouhuys te gaan samenwonen. In 1957 zijn ze getrouwd. Eddie is een heel belangrijke figuur in mijn leven geweest: hij was er altijd als ik hem nodig had en dat was vaak. Van één ding heb ik spijt: dat ik nooit met Eddie over zijn tijd in Dachau heb gepraat. Hij wilde het kennelijk niet en ik was te bang om hem met mijn vragen lastig te vallen.

Zoals uit zijn poëzie, proza en essays blijkt heeft zijn tijd in Dachau hem voor het leven getekend. Tot besluit haal ik daarom de woorden aan die Piet Maliepaard op zijn begrafenis op 5 maart 1970 zei: voor Eddie kwam de bevrijding van Dachau pas zondag jongstleden.

    • Erica Stigter