Amerikaanse PPG is nog groter dan AkzoNobel in verf en lak

Overnamestrijd

Het is het gevecht tussen Rambo en Ceta Bever. PPG specialiseerde zich sneller dan AkzoNobel en doet een vijandig bod.

Stalen voor autolak. Foto iStock

Na jaren van bezuinigen en reorganiseren had AkzoNobel weer „het recht” om op jacht te gaan, zei topman Ton Büchner begin vorig jaar. Voor 475 miljoen euro werd de industriële lakafdeling van het Duitse BASF ingelijfd. Een jaar later is het nu AkzoNobel zelf dat wordt opgejaagd door zijn grote Amerikaanse concurrent PPG. Even zelfbewust heeft Büchner het bod van bijna 21 miljard euro afgewezen en een „onderwaardering” genoemd.

Lees ook: Ook AkzoNobel is nu in het vizier van een buitenlandse koper

PPG en AkzoNobel zijn na het Amerikaanse Sherwin-Willliams respectievelijk de nummer twee en drie op de versnipperde wereldwijde verfmarkt. Ze concurreren met merken als Flexa, Sikkens en Ceta Bever (AkzoNobel) en Rambo, Histor en Sigma (PPG). Het laatste bedrijf had vorig jaar een omzet van 14 miljard euro en 47.000 medewerkers. AkzoNobel heeft 46.000 werknemers en verkocht voor 14,2 miljard euro.

Zwembadchloor

Het grote verschil tussen de twee concurrenten is de specialisatie. PPG is in 1883 opgericht als de Pittsburgh Plate Glass Company en groot geworden met ramen voor auto’s en vliegtuigen, contactlenzen, zwembadchloor, siliconen – en de laatste jaren vooral met verf. In 2005 kwam ongeveer de helft van de omzet van PPG nog uit verf en lak, een kwart uit chemie en een kwart uit glas. Tien jaar later kwam 96 procent van de omzet uit verf en lak en was de chemietak afgestoten.

AkzoNobel (voorlopers: de Algemene Kunstzijde Unie, Koninklijke Zout Organon en het Zweedse Nobel Industries) is nog altijd een breder bedrijf. Het concern haalde vorig jaar eenderde van zijn omzet uit ‘speciality chemicals’: de chemietak die het bedrijf nu wil verkopen en die volgens Bloomberg 10 miljard euro zou kunnen opbrengen. Zo is AkzoNobel ook bekend als producent van huishoudzout (Jozo en Nezo).

Onder het bestuur van oud-minister Hans Wijers (2002-2012) ging AkzoNobel zich al wel meer op verf en lak richten. In 2007 verkocht Wijers de farmaciedochter Organon aan het Amerikaanse Schering-Plough voor 11 miljard euro – waarmee een lang voorbereide beursgang van Organon van de baan was. Voor ongeveer hetzelfde bedrag kocht AkzoNobel tegelijkertijd het Britse chemiebedrijf ICI, mede om de positie van het bedrijf op de verfmarkt in Azië.

Een mederwerker van Akzonobel vult een partij verf met blauw pigment.
Foto Jock Fistick/Bloomberg
Kleurstalen in de fabriek van Akzonobel in Sassenheim.
Foto Jock Fistick/Bloomberg

Door de crisis op de Amerikaanse en Europese huizenmarkt ging AkzoNobel een aantal moeilijke jaren tegemoet. Wijers opvolger Büchner viel na zijn aantreden in 2012 uit wegens „tijdelijke vermoeidheid” – waarna AkzoNobel bijna 600 miljoen euro aan beurswaarde op één dag verloor. Maar na drie jaar van omzetdaling steeg de winst in 2015 met 79 procent tot 979 miljoen euro.

Tegelijkertijd heeft PPG zich de laatste jaren ontwikkeld tot een zeer efficiënt en winstgevend bedrijf met een marktwaarde van ongeveer 25,5 miljard euro. Sinds het begin van deze eeuw heeft het bedrijf ongeveer 65 overnames gedaan. Zo kocht PPG in 2013 al de Amerikaanse verfdivisie van AkzoNobel. Een gehele overname is een „verplichtende strategische gelegenheid”, volgens PPG-topman Michael McGarry.

    • Eppo König