Opinie

CIA-lek wijst de digitale burger nogmaals op kwetsbaarheden

Moeten we verbaasd zijn over de onthulling, via WikiLeaks, van de omvang, kracht en het vernuft van de afluisteroperaties van de CIA? Gisteren liet de klokkenluidersorganisatie weten dat alle CIA afluister- en hacktechnieken op straat liggen.

Volgens WikiLeaks blijkt uit de omvang van het arsenaal dat de CIA uit de bocht is gevlogen met het ontwikkelen van dergelijke technieken. Deze veiligheidsdienst zou, buiten het zicht van de controlerende organen in de VS, een capaciteit hebben ontwikkeld waarmee hij zich onbeperkt toegang tot het ‘internet der dingen’ kan verschaffen: het groeiende arsenaal aan dagelijkse digitale gebruiksvoorwerpen dat met internet is verbonden. Variërend van laptops en tv’s tot de verlichting, kamerthermostaat en watermeter. Zo dreigt de klassieke klacht van de paranoialijder – ‘De stopcontacten luisteren me af’ – toch nog werkelijkheid te worden.

Maar ook moet worden aangenomen dat niet alles wat kan gebeuren ook al werkelijk gebeurt – de CIA is niet in alles geïnteresseerd. Het is waarschijnlijker dat ze daar gericht hacken, met ‘nationale veiligheid’ als maatstaf. Het risico zit echter in het gemeengoed worden van dergelijke technieken. Straks laat ook de wijkagent even wat ‘programmaatjes draaien’ om vandalisme op te sporen. De digitale wedloop is al intimiderend genoeg – de echte kwestie is nu gebruik, beheer en verantwoording ervan. Daar lijkt het de klokkenluider om te doen, daarvoor verdient deze respect.

De moderne digitale burger is intussen geen onnozelaar. Privacy is een dagelijkse afweging, hacken een routinerisico. Vorig jaar werd Facebook-oprichter Mark Zuckerberg gefotografeerd met een laptop waarvan hij de camera had afgeplakt – dat is allang geen vreemde maatregel meer. De ervaren digitale burger ververst regelmatig z’n wachtwoorden, zet op zijn telefoon de locatievoorzieningen uit, evenals stemherkenning, gebruikt berichtendiensten met beleid, wist zijn zoekgeschiedenissen. Hij begrijpt dat een smart-tv thuis meekijkt, en dat de microfoon van telefoons met ‘voice-over-internetprotocol’ op afstand aangezet kunnen worden. De kernvraag is wanneer, onder wiens controle, hoe lang en met welk doel zoiets eventueel zou mogen. Dat vereist waakzaamheid van de burger. En een verantwoordelijke, rechtsstatelijk georiënteerde overheid. Dergelijke maatregelen moeten proportioneel zijn, gebonden aan termijnen, ook wat de dataopslag betreft en met stevige rechtswaarborgen omgeven. Alleen dan kan de digitale burger vertrouwen houden – zowel in z’n overheid als in z’n tv en stopcontacten.