Waarom moet King Kong telkens dood?

Icoon King Kong

Kong: Skull Island is de nieuwe incarnatie van een reuzenaap die in 1933 zijn filmdebuut maakte. Wat maakte hem tot zo’n succes?

‘Who Killed King Kong’, vroeg schrijver X.J. Kennedy zich af in een essay uit 1960, toen de oude spektakelfilm opnieuw in de bioscopen draaide. De film King Kong uit 1933 heeft daar een uitgesproken mening over. Niet de dubbeldekkers met hun machinegeweren doodden hem, stelt personage Carl Denham bij het lijk van de gevallen gigant. „It was beauty killed the beast.”

Zou het? De vraag is relevant, want net als Jezus werd King Kong door zijn dood onsterfelijk. Zeker is dat hij vlak voor zijn dood gekruisigd op een podium werd tentoongesteld, bespot door het volk van New York. En dat hij daarna een van de meest geanalyseerde personages uit de filmgeschiedenis werd.

In 1933 verlieten bezoekers in tranen de bioscoop. Best vreemd, want had de grote bruut niet achteloos inboorlingen vertrapt, een matroos het hoofd afgebeten en een blondine in de afgrond gegooid?

Lees de recensie van Kong: Skull Island

‘Maak dat rotbeest af’

Filmmakers Merian C. Cooper en Ernest B. Schoedsack hadden dat martelaarschap in 1932 niet voorzien toen ze met stop motion-animator Willis O’Brien aan de slag gingen om studio RKO uit de rode cijfers te halen. Zij speelden in de finale bij het Empire State Building zelf de piloot en de boordschutter om „dat rotbeest af te maken”.

King Kong leek een doorsnee-B-film van het type ‘jungle quest’ te worden. Een samenraapsel van tweedehandsfilmsets, decors en ideeën, opgevuld met footage van dinosauriërs uit het geschrapte filmproject Creation. Dat halfnaakte, zwarte vrouwen en – gesuggereerde – seks met apen kassa betekende, wist RKO al sinds het in 1930 de rechten op de kop tikte van de infame nepdocumentaire Ingagi. In 1925 had professor Challenger in monsterfilm The Lost World al een plateau vol dinosauriërs ontdekt, waarna een door hem uit de jungle meegenomen Brontosaurus op strooptocht was gegaan in Londen.

Maar die Brontosaurus is vergeten, en King Kong leeft. Uiteraard hielp de prachtige stop motion-animatie, de revolutionaire muziekscore, de sluwe wijze waarop de kijker in King Kong via een mistgordijn en een tunnel vanuit de realiteit in de droomsfeer van Skull Island glijdt. Maar om een icoon van zo’n formaat te verklaren, is meer nodig.

King Kong (1933)
King Kong vs. Godzilla (1962)
King Kong (1976)
V.l.n.r: King Kong (1933), King Kong vs Godzilla (1962) en King Kong (1976)

Angst over zwarte seksualiteit

Volgens filmwetenschappers, die van oudsher veel energie steken in het speuren naar racisme, seksisme en andere ismes in het ‘discours’ van Hollywood, werd King Kong een hit omdat het blanke angst over ontketende zwarte seksualiteit op de reuzenaap projecteerde en bestrafte. Totale onzin is dat niet. De Afrikaanse afgod King Kong, ergens halverwege aap en mens, raakt in de film direct geobsedeerd door de hoogblonde Ann Darrow (‘scream queen’ Fay Wray), die hij de jungle in sleept. Als hij de bewusteloze Darrow daar uitkleedt – en aan zijn vingers ruikt – weet held Jack Driscoll haar op het nippertje te redden van een lot erger dan de dood. Waarna de reuzenaap in ketens over de oceaan wordt gevaren, zichzelf bevrijdt, de beschaving ontwricht en dezelfde blonde vrouw uit haar bed sleurt voordat de moderne technologie hem de baas wordt.

Kwetsbaar ondanks borstgeroffel

Maar als de vliegtuigen het zwarte libido afstraffen, zoals de Ku Klux Klan in The Birth of a Nation (1915), zou King Kongs dood voor racistische blanken bevredigend moeten zijn. Dat was niet zo: iedereen ervoer het als een tragedie. In vervolgfilms – Son of Kong (1933), Mighty Joe Young(1949) – veranderde King Kong daarom in een onbaatzuchtig, onbegrepen natuurkind. Pas in 1976 mocht de knuffelaap in Dino De Laurentiis’ King Kong weer wat lust tonen, ditmaal nadrukkelijk aangemoedigd door de blondine van dienst, Jessica Lange, een Kong-teaser die hem in het verderf stort met teksten als: „Ik ben een Weegschaal, en jij? Niks zeggen … een Ram! Ik wist het.”

Daarmee moest je bij de oude King Kong niet mee aankomen. Waarom het publiek zich met deze rouwdouwer identificeerde? We kunnen op zijn freudiaans stellen dat hij het mannelijke Id belichaamt; elk fallus- en vaginasymbool in King Kong is inmiddels geanalyseerd. En Freud terzijde: is hij niet de onhandige bruut in elke man die geen schijn van kans maakte bij dat onbereikbare meisje? Een grote lummel, eenzaam loeiend in zijn grot, kwetsbaar ondanks al zijn borstgeroffel?

King Kong (2005)
Kong Skull Island (2017)
V.l.n.r. King Kong (2005) en Kong: Skull Island (2017)

King Kong is geen zwarte man, hij is een man. Beter nog, een beest dat vernielt wat hij niet begrijpt: King Kong voert daarmee een stiekeme wensdroom uit. Want wie wil de beschaving die ons in het harnas rijgt niet eens lekker aan gruzelementen slaan? Machteloosheid omzetten in destructie: in 1933, het hoogtepunt van de Grote Depressie, was dat een aantrekkelijk idee. En een impuls die direct weer moest worden onderdrukt.

„Ons is het niet gegeven om de beschaving een tijdje tot stilstand te brengen”, eindigde X.J. Kennedy zijn essay. „King Kong doet dat voor ons. En daarom doden wij hem, keer op keer. Terwijl we de aap in onszelf laten wegsterven, dag in, dag uit.” King Kong stierf voor onze zonden.

    • Coen van Zwol