Voor partijen geldt: opzij markt, de overheid is terug

Analyse De politieke partijen hebben een nieuwe kijk op de rol van de overheid in de economie. Waarover zijn ze het eens, en waarover niet?

Bankbiljet van 5 euro. Getty Images

Hola, Unilever overnemen? Dat kan niet zomaar. Minister Jeroen Dijsselbloem (PvdA) maakt zich sinds het (weer ingetrokken) overnamebod van het Amerikaanse Kraft Heinz op Unilever grote zorgen. Hij wil het Nederlandse bedrijfsleven meer beschermen tegen buitenlandse overnames, zei hij deze week. De overheid moet er zo nodig voor gaan liggen. Van hem mag de wet die VVD-minister Henk Kamp maakt ter bescherming van telecombedrijven tegen buitenlandse overnames gaan gelden voor veel meer bedrijven.

Dijsselbloem is de enige niet. Een breed spectrum aan partijen (PvdA, CDA, Forum voor Democratie) schrijft in het verkiezingsprogramma dat de staat nationale bedrijven moet kunnen beschermen tegen overnames. Het economisch nationalisme van Theresa May en Donald Trump, dat kunnen wij ook. Dat mag best een aardverschuiving heten: nog geen tien jaar geleden keek PvdA-minister van Financiën Wouter Bos toe toen ABN Amro tegen zijn wil door drie buitenlandse banken werd opgekocht en opgedeeld.

Het is exemplarisch voor de nieuwe kijk van politieke partijen op de rol van de overheid in de economie. De overheid is terug, dat blijkt uit alle verkiezingsprogramma’s. Veel partijen vinden: de markt kan wel wat meer staat gebruiken. Zo moet er een overheidsinvesteringsbank komen. Vrijwel alle partijen zijn als het om sociaal-economische plannen gaat naar links opgeschoven. Op tal van terreinen moet de rol van de overheid weer groter worden vinden ze: de arbeidsmarkt, de semi-overheid, de bescherming van het eigen bedrijfsleven, en de sociale zekerheid.

Lees de NRC Programmawijzer, een overzicht van de verkiezings­programma’s. Met een handig filter lees je alleen over de partijen en onderwerpen die je het meest interesseren.

Terughoudendheid weg

De financiële crisis, de discussie over de nadelen van handelsverdragen en globalisering en de flexibilisering van de arbeidsmarkt hebben duidelijk een stempel gezet op hoe politieke partijen denken over de rol van de overheid in de economie. Uiteraard heeft de overheid in een verzorgingsstaat als de Nederlandse altijd al een grote rol gehad in de economie, maar de terughoudendheid die bij vorige verkiezingen veel partijen nog wel hadden is weg.

Neem de bescherming van werknemers. PvdA, SP en GroenLinks vinden dat er een nieuw akkoord moet komen tussen overheid, vakbonden en werkgevers waarin wordt afgesproken dat de lonen omhoog gaan. De Partij voor de Dieren wil werkgelegenheidsprojecten voor jongeren in de zorg en de biologische landbouw. Om werknemers te helpen verlagen vrijwel alle partijen de belastingen op werk, niet zelden zeer fors, blijkt uit de doorrekeningen van het Centraal Planbureau (VVD, ChristenUnie, SGP, GroenLinks en ChristenUnie).

De PvdA doet dat het minst van alle partijen: waar bij andere politieke formaties de lasten met miljarden tot zelfs tientallen miljarden dalen, is het bij de sociaaldemocraten maar met een miljard.

Daarentegen heeft de PvdA duidelijk de ‘derde weg’ (een stroming binnen sociaal-democratische partijen die in de jaren negentig opkwam om de markt meer ruimte te geven) van zich afgeworpen. De partij wil 100.000 banen scheppen bij de overheid: er moeten conciërges komen op scholen, toezichthouders in bussen en trams en schoonmakers die de openbare ruimte netjes houden.

Flexibilisering

Aan de onderkant van de arbeidsmarkt willen veel partijen werknemers helpen, door bedrijven subsidie te geven die mensen aannemen die eigenlijk niet productief genoeg zijn om het minimumloon te verdienen (VVD, CDA, PvdA, D66, ChristenUnie, GroenLinks). Even zoveel partijen willen meer beschutte werkplekken bij gemeenten voor mensen met een arbeidsbeperking (VVD, PvdA, SP, D66, GroenLinks, Denk).

Vrijwel alle partijen willen wat doen aan de flexibilisering van de arbeidsmarkt. De meeste partijen doen dat door flexwerkers duurder te maken voor werkgevers (bijvoorbeeld door ze voor flexwerkers een hogere WW-premie te laten betalen) of door de belastingen op zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) en mensen in loondienst meer gelijk te trekken. Alleen het CDA en de SP verkleinen die verschillen niet (SP) of alleen voor zzp’ers (CDA) volgens het CPB.

Grote verschillen

Uiteraard zijn er ook grote verschillen tussen partijen als het om de rol van de overheid gaat. Kleinere verschillen tussen flex en vast prima, maar de VVD gruwt van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers zoals PvdA, ChristenUnie, GroenLinks en Denk wel willen.

Ook over de sociale zekerheid verschillen de politieke partijen sterk van mening. De SP verhoogt alle uitkeringen met 10 procent en zorgt er zo voor dat mensen met een uitkering er meer op vooruit gaan dan mensen die werken. VVD en VNL bevinden zich aan het andere eind van het spectrum. Beide partijen verlagen de bijstandsuitkering. De VVD bevriest alle uitkeringen gedurende vier jaar behalve de AOW.

VVD, SGP en ChristenUnie willen de werkloosheidsuitkering WW in meer en mindere mate versoberen. Ook de arbeidsongeschiktheidsuitkering WIA kan soberder, vinden VVD, CDA, CU en VNL.

Kleine overheid

Een hartstochtelijke wens voor een echt kleinere overheid vind je alleen nog bij nieuw rechts: VNL en Forum voor Democratie. VNL bezuinigt zelfs 18 miljard op de overheidsuitgaven blijkt uit de doorrekening, de VVD ruim 4 miljard.

Alle partijen kiezen wel voor de maximale bezuiniging van 1,2 miljard euro op het openbaar bestuur, die het CPB toestaat (hoger vindt het CPB niet geloofwaardig). Behalve GroenLinks en de SP die niet en nauwelijks bezuinigen. De PvdA kiest als enige voor meer geld voor het openbaar bestuur: 1,3 miljard. De overheid mag terug zijn, het overheidsapparaat zelf moet niet te duur zijn.

    • Marike Stellinga