Opinie

    • Frits Abrahams

‘Schikt het jullie?’

In een café-restaurant zat ik een kop koffie te drinken, toen aan het tafeltje naast mij een man zijn mobieltje pakte en een nummer intoetste. Hij was een vijftiger in vrijetijdskleding en werd vergezeld door vermoedelijk zijn vrouw, een nerveus pratend type, die verwachtingsvol naar hem keek. „Zeg maar dat ík erover begon”, zei ze met een lachje.

Onze tafeltjes stonden dicht bij elkaar, wat altijd riskant is als er een columnist in de buurt is. Ik keek op mijn horloge en zag tot mijn schrik dat het al bijna etenstijd was. Moest ik niet naar huis? Ja, dat moest ik, maar het werk ging nu toch echt even vóór.

„Anna, Henk hier”, hoorde ik de man nogal hard roepen, alsof hij enige onzekerheid moest camoufleren. „Nee”, riep hij nog harder, „die andere Henk, je weet wel de Henk uit Valkenswaard… Ja, precies! De vakantie op Rhodos! Mooie weken waren dat! Gezellig ’s avonds voor de caravan een wijntje drinken en een kaartje leggen. Waar gaan jullie dit jaar naartoe? De Algarve? Altijd goed. Alleen de temperatuur van de zee viel ons tegen, vooral Eefje had het er moeilijk mee.

„Eefje? Jazeker, die is hier ook, ze zit naast me. We komen net uit het Rijksmuseum, waren er nog nooit geweest, fantástisch museum, je kunt er uren doorbrengen. We zaten wat uit te blazen in een zaakje hier toen Eefje zei: ‘Waarom bel je niet even naar Charles en Anna? We hadden toch een afspraak dat we bij elkaar zouden langskomen als we in de buurt waren?’ Ik had er niet meer aan gedacht, maar het lijkt ons erg leuk. Zou het jullie schikken?”

Het letterlijke antwoord van Anna moet ik schuldig blijven, maar de strekking tekende zich gelukkig snel op het gezicht van Henk af. Het betrok. Hij wisselde een vlugge blik van verstandhouding met zijn vrouw en zei, veel zachter nu: „Maar je hoeft voor ons niks in huis te hebben, hoor, daar komen we niet voor, we wilden gewoon even buurten. Wat zeg je? Bezoek… vanavond nog… wat jammer nou, we hadden graag even bijgepraat. Alles goed verder? Met Henk ook?”

Hij luisterde gelaten naar de rapportage en haalde zijn schouders verontschuldigend op toen hij naar zijn vrouw keek. „Fijn… mooi”, zei hij met gespeelde geestdrift, „doe Henk vooral de groeten, natuurlijk ook van Eefje, en we rekenen erop dat jullie langskomen als je in de buurt van Valkenswaard bent. Ons adres hebben jullie toch nog? Oké! Fijne avond nog!”

Hij legde zijn mobieltje met een harde tik op de tafel. „Mooi niet. Ze vond het jammer dat we niet even eerder hadden gebeld. Ze klonk niet echt… hartelijk.”

„En het waren zulke aardige mensen”, zei Eefje, een tikkeltje verbaasd.

Hij keek narrig naar buiten en zei alleen maar: „Tja…wat nu?”

„Karel, je halfbroer?” vroeg ze.

„We hebben elkaar al in geen vijf jaar meer gezien”, zei hij onwillig.

„Maar het blijft familie en zij was erg aardig”, zei Eefje.

Het duurde even voor hij het nummer had gevonden. Hij toetste het in en wachtte ongeduldig. „Voicemail…”, mompelde hij. Hij haalde diep adem, zei: „Dit is Henk, wij zijn hier en…” Toen gooide hij het mobieltje met lichte walging op tafel. „Ik kan het niet opbrengen”, zei hij terwijl hij een serveerster wenkte. „We gaan.”

    • Frits Abrahams