Rineke Dijkstra met het door haar gemaakte staatsieportret van koning Willem-Alexander.

Foto Koen van Weel/ANP

Rineke Dijkstra over het geheim van een goed portret

Rineke Dijkstra is de eerste Nederlandse winnaar van de Hasselblad Award, ’s werelds grootste fotografieprijs. Haar portretten van schuchtere adolescenten behoren tot de canon van de fotografie. Wat is het geheim van een goed portret?

Ze heeft het heel even geprobeerd, toen ze in de jaren tachtig haar eerste fotografiecursus volgde. Om, zoals veel beginnende fotografen, composities te maken van het lijnenspel van vliegtuigsporen en hoogspanningskabels in de lucht. Maar toen zei Hans Aarsman, haar docent in het Amsterdamse fotografiecentrum De Moor: jij moet gewoon mensen gaan fotograferen. Sindsdien heeft Rineke Dijkstra (1959) haar camera uitsluitend nog gericht op gezichten.

Er zijn weinig fotografen die zo’n herkenbare stijl hebben als zij. Dijkstra’s portretten van schuchtere pubers op het strand, van soldaten in het Israëlische leger, van jonge stierenvechters en pas bevallen moeders zijn confronterend en intiem, maar tegelijk gevoelig en respectvol. Als ze jonge actrices fotografeert, doet ze dat zonder glamour of poespas. Als ze kinderen voor haar camera krijgt, is het resultaat nooit sentimenteel. Hoewel haar portretten vaak monumentaal zijn qua formaat, zijn ze niet bedoeld om te imponeren. Haar stijl zou je kunnen benoemen met woorden als oprecht, realistisch, sober. Of, zoals ze het zelf omschrijft: „Altijd op zoek naar iets wat dicht bij de werkelijkheid ligt.”

Standaardlens

Op de Rietveld Academie, waar ze tussen 1981 en 1986 studeerde, kreeg ze een belangrijk advies van haar docent Anthon Beeke. Hij adviseerde Dijkstra om al haar foto’s gewoon met een standaardlens te maken. Omdat die het dichtst in de buurt komt van hoe onze ogen de wereld zien. Dijkstra: „Een groothoeklens trekt het beeld uit elkaar, terwijl een portretlens de boel juist in elkaar drukt. Dus toen ik mijn 4 x 5 inch technische camera kocht, met drie verschillende lenzen erbij, heb ik meteen de standaardlens erop gezet. Daarmee maakte ik in 1992 mijn eerste strandportretten, en later ook de meer close-up portretten. Als je met een standaardlens dichter op de huid wilt fotograferen, moet je zelf met de camera dichterbij komen. Zo benader je de werkelijkheid het dichtst.”

Het gaat om de blik, de houding, maar ook over de achtergrond, het licht en over het verhaal dat je wil vertellen.

Met het woord ‘stijl’ heeft ze overigens moeite. Omdat dat woord suggereert dat een werkwijze een maniertje is, vindt ze. „Dat is het niet. Om een goed portret te maken heb je een aantal ingrediënten nodig. Het gaat om de blik, de houding, maar ook over de achtergrond, het licht en over het verhaal dat je wil vertellen. Soms vallen al die elementen mooi samen, als een puzzel. Dan versterken ze elkaar.”

In haar Amsterdamse studio laat Dijkstra een aantal portretten zien waaraan ze recent heeft gewerkt. Sommige maakte ze in opdracht van families: veelal kunstverzamelaars die hun kinderen of kleinkinderen door haar willen laten vastleggen. Op één foto zit een tweeling van een jaar of acht op een rijk gedecoreerde bank in een Duits kasteeltje. Het jongetje ziet eruit als een dandy in de dop, met strak gekamde haartjes en bretels over zijn blauwe overhemd. Het meisje, gekleed in een rood-wit gestreept jurkje, lijkt net van de bank op te veren.

Bekijk een serie foto’s uit het oeuvre van Rineke Dijkstra.

Toeval

Wanneer is een portret goed gelukt? Ze vindt het moeilijk dat in woorden te vatten, zegt Dijkstra. „Er moet een gevoel van aanwezigheid in het beeld zitten, een soort levendigheid. Fotografie blijft een momentopname. Er is altijd een moment voor en een moment na de foto. En ergens zit nog dat idee van beweging, dat moet je zien te vangen. Kijk naar de portretten van Rembrandt, die zijn haast fotografisch van aard, daar zit zoveel intensiteit in. Hij wist precies het juiste moment vast te leggen. Wat moeilijk is, want zijn modellen moesten urenlang stilzitten. Mensen verstarren dan, ze gaan staren. Dat Rembrandt toch die levendige blik wist te behouden, is ongelofelijk knap.”

Ze wijst op haar beroemde foto van het meisje in een oranje bikini op het strand. „Zij was heel onzeker en dat zie je mede aan de vele sporen die ze met haar voeten in het zand heeft getrokken terwijl ze naar een pose zocht. Maar toen ik haar fotografeerde zag ik die sporen niet. Zo moet er altijd iets in het portret zitten wat aan je controle ontglipt. Als je alles van tevoren bedenkt, wordt het beeld te eendimensionaal. In een goed portret zit ook altijd iets van toeval, iets wat je zelf niet had kunnen voorzien. Ik houd van die terloopsheid. Het moet er niet te geposeerd uitzien. Daarom zoek ik naar de natuurlijke houding van mijn modellen. Dan zeg ik, terwijl ik mijn camera installeer: ga maar vast lekker op die bank zitten. Op een gegeven moment gaan ze toch een houding zoeken die lekker zit. Dan ontspannen ze zich. En dan druk ik af.”

The grandchildren of Denise Saul, New York, 15 oktober 2012. Foto Rineke Dijkstra

Het fotograferen van kinderen is sowieso lastig, vertelt ze. Dijkstra werkt met een grote analoge camera, waar steeds nieuwe negatieven in gestoken moeten worden – een tijdrovend proces waar de snapchat-generatie maar moeilijk geduld voor op kan brengen. „Bij deze tweeling lukte het maar niet om hun aandacht te krijgen. Ze zeiden steeds: mag ik het zien? En: waarom duurt het zo lang? Toen heb ik ze op een gegeven moment mijn werk maar laten zien en uitgelegd hoe ik te werk ga. Dat die camera belangrijk is voor de scherpte, en dat ze zich goed moesten concentreren. Toen snapten ze het wel.”

Een ander portret, dat aan de muur van Dijkstra’s studio hangt, toont de vijf kleinkinderen van een rijke New Yorkse familie. Prinsjes en prinsesjes lijken het, met hun lakschoentjes en colbertjes. Je kunt je nu al voorstellen dat de oudste van het stel over dertig jaar directeur is van een groot bedrijf, terwijl zijn jongere broertje als avonturier de wereld over trekt. „Dat is het mooie van jonge mensen fotograferen”, zegt Dijkstra. „Je ziet dat alles al potentieel aanwezig is. En je kunt je zelfs al een beetje voorstellen wat er komen gaat. Ik houd erg van het boek Het portret van Dorian Gray van Oscar Wilde. Daarin wil de hoofdpersoon zelf heel graag jong blijven, maar intussen wordt zijn portret steeds ouder. Bij de familieportretten die ik maak, is dat juist andersom. De kinderen veranderen, maar het portret blijft een soort nulpunt. Die afstand wordt door de jaren heen alleen maar groter.”

Tijd

In veel van Dijkstra’s series speelt de factor tijd een rol. Ze fotografeerde een Bosnisch meisje, Almerisa, dat op haar vijfde met haar ouders naar Nederland vluchtte, en volgde haar, terwijl ze zich langzaam aanpaste aan de Nederlandse cultuur, tot ze een zelfverzekerde, West-Europese vrouw van twintig was geworden. Ze legde het gezicht vast van Olivier, een Franse jongen die zich op zijn zeventiende aansloot bij het vreemdelingenlegioen, en registreerde hoe hij in drie jaar uitgroeide van een verlegen knulletje tot een stoere vechtmachine. Zo schuilt achter iedere serie een verhaal. Dat is de kracht van haar foto’s: ze gaan over meer dan de geportretteerden alleen. Ze laten zien hoe het is om in onze westerse wereld volwassen te worden.

De laatste jaren heeft Dijkstra haar camera gericht op kindsterren, onder wie de actrices Abigail Breslin (Little Miss Sunshine) en Georgie Henley (The Chronicles of Narnia). „Deze meiden groeien op voor het oog van de camera. Er wordt heel erg met hun imago gespeeld. Voor mij is het dan juist een uitdaging een foto te maken die geen cliché wordt. Mijn doel is een portret te maken dat hun individualiteit en hun eigenheid benadrukt, waarin zij als persoon naar voren komen.”

Georgie Henley, London, 9 oktober 2010. Foto Rineke Dijkstra

Ze toont het eerste portret dat ze maakte van Georgie Henley, een tiener met sproeten die een beetje eigenwijs in de camera blikt. „Dit is een studioportret dat ik in opdracht van W Magazine heb gemaakt. Het probleem met dat soort bladen is dat je vaak te maken hebt met visagisten en stilisten, terwijl ik die meiden juist zo naturel mogelijk wil portretteren. Dus stel ik bij dit soort opdrachten duidelijke voorwaarden: ik wil dat ze zonder make-up en in hun eigen kleding naar de studio komen. Dan kan ik er nog wat mee. Als ze kleding aantrekken die ze zelf nooit hadden uitgezocht, gaat het mis. Dan wordt het een modefoto en gaat het niet meer om hun karakter.”

Nu de tienersterren twintigers zijn geworden, heeft Dijkstra ze weer gefotografeerd. Zo ontstaan, in een rustig tempo, met tussenpozen van soms wel zes of zeven jaar, fotoseries waar de tijd automatisch in verwerkt zit. Bedachtzaamheid, is ook zo’n woord dat Dijkstra’s oeuvre kenschetst. „Ik ben heel slecht in snapshots”, lacht ze. „Dat lukt me gewoon niet. Ik heb die tijd nodig om de dingen tot me door te laten dringen. Ik hou ook erg van het proces, van het nadenken daarover. Het hoeft ook niet in één keer goed te zijn. Je kunt iets moois opbouwen door er langer aan door te werken. Uiteindelijk vallen de puzzelstukjes wel in elkaar.”

Het belangrijkste, zegt Dijkstra, is dat je je verbindt met de persoon die je fotografeert. „Je moet proberen sympathie voor ze op te brengen, ook als je ze niet zo aardig vindt. Andersom moet de geportretteerde zich ook een beetje openstellen en de relatie met mij willen aangaan. Je maakt zo’n foto samen. Dat is uiteindelijk wat de toeschouwer ziet: een ontmoeting tussen de fotograaf en haar onderwerp. Zo’n ontmoeting is maar kort, en toch heel intens. Je hebt het gevoel dat je heel even echt dichtbij iemand bent. Daarna scheiden je wegen weer. Wat er achterblijft is het beeld.”

Op 9 oktober krijgt Rineke Dijkstra de Hasselblad Award uitgereikt en opent haar expositie in het Hasselblad Center in Göteborg. Inl: hasselbladfoundation.org Van 21 sept t/m 30 dec heeft ze een solotentoonstelling in het Louisiana Museum in Denemarken. Inl: louisiana.dk T/m 16 juli is haar werk te zien in de National Gallery of Art in Washington. Inl: nga.gov
    • Sandra Smallenburg