Vermogen en inkomen ouderen erop vooruit

Er zijn steeds meer vrouwen met een opgebouwd pensioen en meer ouderen met een koophuis, maar hun koopkracht groeide wel minder snel dan gemiddeld.

Mark Rutte (VVD) en Henk Krol (50Plus) na afloop van het Carre debat, het tweede televisiedebat van RTL in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen. Foto Remko de Waal / ANP

Het vermogen van 65-plussers is de afgelopen twintig jaar sneller gegroeid dan dat van een gemiddeld Nederlands huishouden. Ook is het inkomen van gepensioneerden erop vooruit gegaan, meldt het CBS dinsdag.

Een doorsnee huishouden van 65-plussers had in 2015 een vermogen 86,5 duizend euro. Dat is vijf keer hoger dan dat van een gemiddeld Nederlands huishouden. In 1995 was het vermogen van ouderen nog iets kleiner dan dat van de doorsnee bevolking (23 duizend euro). Dit komt onder andere doordat steeds meer ouderen een eigen woning hebben.

Meer vrouwen met een pensioen

Ook het inkomen van gepensioneerden is in die twintig jaar gestegen met bijna dertig procent (gecorrigeerd voor inflatie), en groeide daarmee sneller dan een gemiddeld Nederlands inkomen. Dit komt mede dankzij het groeiend aantal vrouwen dat is gaan werken. Daardoor hebben meer ouderen een pensioen opgebouwd dat ze maandelijks naast hun AOW ontvangen. Ook zijn latere generaties over het algemeen hoger opgeleid waardoor ze meer verdienen en de arbeidsmarkt verlaten met een hoger aanvullend pensioen.

Hoewel het totale vermogen en inkomen de afgelopen decennia misschien sneller groeiden, was dat niet het geval met de koopkracht. Dit komt omdat ouderen geen grote inkomstensprongen meer maken. Ze veranderen niet meer van baan en maken meestal ook geen promotie meer, waardoor hun portemonnee minder profiteert van een aanzwellende economie.

Minder risico op armoede

Al met al bestaat er voor 65-plussers minder risico op armoede. In 1995 had meer dan twintig procent een laag inkomen (minder dan 9.250 euro), in 2015 was dat nog maar drie procent. Overigens daalde het gemiddeld aantal huishoudens met een laag inkomen in die periode van 15,5 procent naar iets minder dan negen procent.

    • Christiaan Paauwe