Partijen nemen weinig risico met overheidsbudget

Wat doen partijen met inkomsten en uitgaven?

Partijen schuiven met miljarden, maar per saldo is het effect op het overheidsbudget klein. En wat dit betreft zijn de verschillen tussen de partijen dus minder groot.

Foto ANP / Lex van Lieshout

De grootste lastenverlichting van alle partijen voorstellen en toch om de oren worden geslagen met verwijten de belastingen voor de gewone burger te verhogen. Het overkomt GroenLinks sinds het Centraal Planbureau de verschillende verkiezingsprogramma’s tot op de komma heeft doorgelicht.

De partij van Jesse Klaver wil met 26,4 miljard de omvangrijkste verlaging van lasten op arbeid, maar krijgt van zijn opponenten in de campagne steeds te horen dat hij wel „zeven nieuwe belastingen” introduceert, voor 18 miljard aan milieuheffingen gaat opleggen en na 2021 huishoudens nog eens met 11,5 miljard aan lastenverzwaring gaat opzadelen.

De politieke tegenstanders van PvdA tot VVD putten allemaal dankbaar uit het omvangrijke doorrekenrapport van het CPB, dat drie weken geleden verscheen. De met venijn ingepeperde getallen kloppen ook nog. Want inderdaad, GroenLinks komt in de komende kabinetsperiode met extra milieuheffingen ter waarde van 18 miljard euro, waaronder een kilometerheffing, een vliegtaks en een verpakkingsbelasting. Ook de extra lastenverzwaring van 11,5 miljard ná 2021 klopt – en dát cijfer telt niet mee in het positieve koopkrachtplaatje dat het CPB voor GroenLinks schetst. Bij D66 is er ook zo’n lastenverzwaring op de lange termijn, van 5,5 miljard.

Lees de NRC Programmawijzer, een overzicht van de verkiezings­programma’s. Met een handig filter lees je alleen over de partijen en onderwerpen die je het meest interesseren.

Terechte verwijten, zou je zeggen, tot je naar de lastenontwikkeling van álle politieke partijen kijkt. Dan ontstaat er een ander beeld. Wat allereerst opvalt: vrijwel alle partijen doen wat GroenLinks voorstelt: de lasten op ‘inkomen en arbeid’ verlagen. Van VNL met ruim 20 miljard tot de PvdA met – ook opvallend – een bescheiden 1 miljard. Alleen Denk en de Vrijzinnige Partij, die in budgettair opzicht wel vaker buiten het politieke speelveld (en de grafieken) vallen, maken de lasten op arbeid hoger.

De lasten op milieu gaan eveneens bij vrijwel alle partijen omhoog, van 2 tot 18 miljard. Verder verhogen bijna alle partijen, op CDA en VNL na, de lasten op vermogen en winst. Ja, ook de VVD. De liberalen beperken de renteaftrek voor bedrijven en verhogen de verhuurdersheffing voor woningcorporaties, in de hoop dat zij meer van hun vastgoedbezit verkopen.

De optelsom van alle lastenverlagingen en lastenverzwaringen brengt grote verschillen tussen de verschillende partijen aan het licht, maar de uitkomst is anders dan je in de campagnespin vaak hoort. Zo ligt het saldo van ‘beleidsmatige lasten’ bij GroenLinks precies op nul. En is die 26,4 miljard uiteindelijk niet een lastenverlichting maar een lastenverschuiving. Bij de VVD dalen de totale lasten met 12 miljard, bij de huidige coalitiepartner PvdA stijgen ze met 10 miljard (vooral bij bedrijven).

Onder aan de streep bij de ingediende begrotingen voor de komende regeerperiode staat nog een belangrijk getal: het zogeheten EMU-saldo, een van de relevante Europese begrotingscriteria. Dat is het verschil tussen alle beoogde overheidsinkomsten (via belastingen en gasopbrengsten) en alle geplande uitgaven (de kosten voor de zorg bijvoorbeeld, en investeringen in defensie en onderwijs).

Zetten we die voor alle deelnemers op een rij, dan zien we een opmerkelijke, maar niet nieuwe conclusie. Allereerst: alle partijen, op Denk na, laten het voor 2021 voorziene begrotingsoverschot van 0,9 procent wat teruglopen – om de vrijgekomen miljarden te kunnen gebruiken voor extra uitgaven. Wat vooral opvalt: in harde euro’s lijken de verschillen tussen inkomsten en uitgaven wel wat uiteen te lopen. Maar tussen de uitersten van de gevestigde partijen (PvdA en ChristenUnie) zit slechts een verschil van 8 miljard euro. Dat is 1,1 procent van het bruto binnenlands product, en 2,5 procent van de totale nu voorziene overheidsuitgaven in 2021.

Waar hebben we dat eerder gezien? Wimar Bolhuis, econoom en kandidaat-Kamerlid voor de PvdA, schreef in zijn recent verschenen historische studie naar de CPB-doorrekeningen sinds 1986: „Hoewel de verschillen in nominale termen behoorlijk groot klinken, zijn de verschillen in relatieve termen eigenlijk zeer beperkt.” Daar zat de doorrekening van 2017 nog niet bij. Het geringe verschil van 1,1 procent tussen PvdA en ChristenUnie nu is exact hetzelfde als het grootste verschil ooit dat Bolhuis waarnam: tussen de VVD en GroenLinks in 1998. Het ging in dat jaar zelfs om precies hetzelfde absolute bedrag: 8 miljard – maar dan in ouderwetse guldens.

    • Philip de Witt Wijnen