Europees Hof: humanitair visum geen recht

Als het oordeel anders had uitgepakt, waren de gevolgen voor de vluchtelingencrisis groot geweest.

Vluchtelingen in een kamp op het Griekse eiland Lesbos. Foto Arie Kievit / ANP

Vluchtelingen kunnen niet vanuit een ambassade in het buitenland een asielprocedure in de EU beginnen. EU-lidstaten zijn niet verplicht hun een zogeheten humanitair visum te verstrekken, zodat zij het land van bestemming kunnen bereiken om daar een asielaanvraag in te dienen. Dat bepaalde het Europees Hof deze dinsdag.

Het Hof wijst daarmee het advies van de advocaat-generaal af. Die had betoogd dat dit visum op grond van het Europese visumbeleid verstrekt moest worden aan oorlogsvluchtelingen die ernstig gevaar lopen. Veertien EU-lidstaten, waaronder Nederland, en de Europese Commissie hadden zich hier fel tegen verzet. Die redenering zou immers betekenen dat het huidige EU-beleid, van gereguleerde spreiding van vluchtelingen over de lidstaten, grotendeels onklaar wordt gemaakt, doordat vluchtelingen op een ambassade naar keuze een asielprocedure zouden kunnen beginnen. Daar tegenover stond dat het de gevaarlijke oversteek van de Middellandse Zee onnodig zou maken.

De zaak was ontstaan na een asielaanvraag van een Syrisch gezin dat op de Belgische ambassade in Libanon aanspraak maakte op een humanitair visum. Daarmee wilden zij naar België reizen om daar een asielaanvraag te doen. Een humanitair visum kan door een EU-lidstaat worden toegewezen „wanneer de betrokken lidstaat het op humanitaire gronden, vanwege het nationale belang of gelet op internationale verplichtingen noodzakelijk acht”, zo luidt de Europese visumcode. Daarom valt het type aanvraag van het Syrische gezin „niet binnen de werkingssfeer van de visumcode”.

Gunst of plicht

De uitspraak werd met spanning bekeken door EU-lidstaten en vluchtelingen, nadat advocaat-generaal Mengozzi van het EU-Hof vorige maand een advies uitbracht dat lijnrecht tegenover de mening van de lidstaten stond. Hij meende dat de aanspraak van de Syriërs op humanitaire gronden terecht was, omdat zij direct gevaar liepen: de man zou in Syrië ontvoerd en gemarteld zijn. De EU-lidstaten hebben in het Handvest van de Europese Unie afgesproken dat „niemand mag worden onderworpen aan folteringen”.

De Belgische staatssecretaris, die de aanvraag van de Syriërs afwees, meende dat een humanitair visum „een gunst” en „geen plicht” is. Die redenering volgt het Hof nu. Bovendien oordeelt het Hof dat humanitaire visa bedoeld zijn voor kort verblijf, en dus niet voor het aanvragen van permanent asiel.

De uitspraak van het EU-Hof is ook buiten België van belang, hoewel bijvoorbeeld Nederland al jaren geen humanitaire visa meer verstrekt. Het Hof oordeelt dat die afgifte „onder het nationale recht” valt en niet door EU-verdragen verplicht gesteld wordt. Instemming van het Hof had betekend dat ook op Nederlandse ambassades humanitaire visa hadden moeten worden verstrekt.

    • Thomas de Veen