Een school mag niemand uitsluiten

Onderwijs Voor ‘ingewikkelde’ kinderen is er speciaal onderwijs. Maar de ouders van Kubo, een kind met down, zien hem liever op een reguliere school en wijzen op een VN-verdrag. Deze woensdag buigt het College voor de Rechten van de Mens zich over de kwestie.

De Eindhovense basisschool De Korenaar is een ‘inclusieve’ school, waar ook leerlingen met bijvoorbeeld het syndroom van Down worden toegelaten. Foto’s Merlin Daleman

Het is lunchpauze op de Eindhovense interconfessionele basisschool De Korenaar. Leerlingen die behoefte hebben aan rust, eten in een aparte ruimte. „Ik ben blij dat ik nog leef”, roept Aline (13 jaar, groep 7, syndroom van Down) theatraal als ze binnenloopt. Zodra haar boterham op is, gaat ze plat op haar buik liggen in de kussenhoek.

Isra – een meisje zo fijn als een wajangpop – is nog lang niet klaar. Zij heeft cerebrale parese, een hersenbeschadiging met bewegingsproblemen tot gevolg. Tot een jaar geleden at en dronk het meisje alleen door middel van een sonde; meerdere keren per dag kwam iemand van thuiszorg naar school om daarbij te helpen. Nu neemt zij zichtbaar trots het volgende piepkleine stukje brood van haar bord.

De Korenaar is een ‘inclusieve’ school: elk kind uit de Eindhovense wijk Woensel is er welkom, ongeacht zijn beperking. Dit ruime toelatingsbeleid is uitzonderlijk. Nederland kent immers een onderwijssysteem waarbij kinderen met een ‘zware’ lichamelijke of psychische aandoening doorgaans naar speciale scholen gaan. De vraag is hoe lang nog. Volgens het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VRPH), dat Nederland vorig jaar ratificeerde, moet deze tweedeling geleidelijk verdwijnen. Ze zou stigmatiserend zijn en tot ongelijke kansen leiden.

De eerste gevolgen zijn nu zichtbaar. Deze woensdag vragen de ouders van een 13-jarige Utrechtse jongen met down het College voor de Rechten van de Mens of hun zoon volgens dit VN-verdrag recht heeft op inclusief onderwijs op een reguliere school in de buurt. Het onafhankelijke college ziet toe op de toepassing van het verdrag in Nederland.

Ongeveer twee jaar geleden werd de jongen, Kubo, door de Utrechtse Prof. Kohnstammschool verwezen naar een speciale school, tegen de zin van de ouders. Zij zijn ervan overtuigd dat een reguliere school hun zoon, die nu thuiszit, de allerbeste ontwikkelingskansen biedt.

De rechtbank Midden-Nederland en de Geschillencommissie passend onderwijs oordeelden eerder dat deze verwijzing – wegens een ontwikkelingsachterstand en gedragsproblemen – rechtmatig was. Het VN-gehandicaptenverdrag was bij de verwijzing nog niet van kracht en bleef daardoor buiten beschouwing.

Eerst dacht ik: joepie

„Met deze zaak bij het College voor de Rechten van de Mens willen wij een principiële discussie op gang brengen over de betekenis van het verdrag”, zegt moeder Jana Vyrastekova. „Toen het werd geratificeerd, dacht ik: joepie. Maar nu ik al anderhalf jaar tevergeefs een nieuwe plek zoek op een reguliere school, begrijp ik dat er nog een enorme kloof zit tussen het verdrag en de praktijk.”

Belangrijke adviesorganen wijzen het ministerie van Onderwijs intussen al nadrukkelijk op de mogelijk vergaande gevolgen van het verdrag. Zo schrijft het Nederlands Centrum voor Onderwijsrecht – een samenwerkingsverband van hoogleraren onderwijsrecht – bijvoorbeeld in een recent rapport: „De ratificatie van het VRPH roept indringende vragen op over de institutionele tweedeling tussen regulier en speciaal onderwijs. Volgens de uitleg die de VN er zelf aan geeft, noopt dit verdrag tot het afschaffen van deze tweedeling.”

De Onderwijsraad riep de minister van Onderwijs onlangs op om „nadrukkelijk aandacht te besteden” aan hoe passend onderwijs zich verhoudt tot verplichtingen zoals het gehandicaptenverdrag, en daarbij „in ogenschouw te nemen dat deze (mogelijk) verstrekkender zijn dan waartoe de Wet passend onderwijs verplicht.”

Passend onderwijs is de in 2014 ingevoerde onderwijshervorming die ertoe moet leiden dat meer leerlingen naar het reguliere onderwijs gaan. Doel hiervan is vooral de spectaculaire groei van het speciale onderwijs te stoppen, niet het volledige Nederlandse onderwijs ‘inclusief’ te maken. Het budget voor 70.000 plekken in het speciale onderwijs uit 2014 blijft dan ook gewoon behouden, beloofde Onderwijs bij de invoering.

Ook nu laat het ministerie desgevraagd weten dat afschaffing van het speciaal onderwijs niet aan de orde is. „Het verdrag vraagt dat we streven naar inclusiever onderwijs. Dat doen we door middel van passend onderwijs”, zegt woordvoerder Sander van Dam. Plannen voor een stelselherziening heeft het ministerie volgens hem niet. „We moeten uitgaan van de behoefte van het kind. En voor sommige kinderen is en blijft een plek op een school voor speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs de beste plek.” De PO-Raad en de VO-raad – de belangenverenigingen van schoolbesturen in het basis- en voortgezet onderwijs – reageren in soortgelijke bewoordingen.

Intensieve ondersteuning

Inclusief onderwijs ligt gevoelig in Nederland, waar passend onderwijs scholen al voor grote uitdagingen stelt. Onderwijsvakbond AOb vindt het „hoogst onwenselijk” als scholen in de nabije toekomst worden gedwongen alle leerlingen toe te laten. „Als je eens wist hoe moeizaam het nu al gaat om de juiste expertise ingevlogen te krijgen op school, bijvoorbeeld voor kinderen met diabetes”, zegt voorzitter Liesbeth Verheggen.

Van de ruim vierhonderd leerlingen van de Korenaar hebben er twaalf intensieve ondersteuning nodig: zes hebben down, twee zijn langdurig ziek, twee hebben een ernstige gehoorafwijking en twee aangeboren hersenletsel. „Deze kinderen zouden normaal gesproken naar het speciaal onderwijs gaan”, zegt directeur Berdi de Jonge, voor wie inclusief onderwijs „de beste vorm van onderwijs” is. „Onze leerlingen worden tolerante burgers die om kunnen gaan met diversiteit.” Ouders van leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben, zien dat ook hun kind goed onderwijs krijgt en maken zich geen zorgen, zegt De Jonge.

Regelmatig komt er hulp van buiten de school. Zo komt er elke woensdag een ergotherapeut van een revalidatiecentrum voor de kinderen met down en met cerebrale parese. Opvallend veel specialistische kennis zit echter bij de leraren zelf: ze hebben allemaal drie jaar lang een intensieve cursus ‘mediërend leren’ gevolgd om alle kinderen de leerstof op hun eigen verwerkingsniveau aan te kunnen bieden. De Jonge: „Stel: een kind krijgt het klokkijken maar niet onder de knie. Dan heeft het geen zin de stof maar te blijven herhalen. In plaats daarvan gaan wij op zoek naar de ontbrekende vaardigheid, bijvoorbeeld ruimtelijke oriëntatie.”

Daarnaast hebben veel leraren een extra specialisatie, bijvoorbeeld op het gebied van gedrag, slechthorendheid, leerproblemen of meerbegaafdheid (heel erg slim, maar niet hoogbegaafd). Zij geven aparte lessen aan leerlingen die dat nodig hebben.

Er is altijd een extra leerkracht die collega’s kan bijstaan als het gedrag van een leerling ontspoort. „Taal en rekenen kun je prima plannen, maar gedrag niet”, zegt Berdi de Jonge, die deze rol vandaag zelf vervult. In de middagpauze zat een jongen bij haar op kantoor voor wie een half uur buitenspelen te lang is. „Na vijftien minuten gaat het mis en ontstaan er conflicten”, zegt De Jonge. Nu zit de leerling weer rustig te werken in zijn eigen klas. „Maar als er niemand was geweest om hem op te vangen, dan was de kans groot dat hij vanmiddag was ontploft.”

Moeilijke keuzes

De Korenaar krijgt – net als de 35 andere basisscholen die onder het Eindhovense SKPO-bestuur vallen – jaarlijks een bedrag voor lichte en zware ondersteuning. Sinds vorig schooljaar krijgt de school extra geld voor kinderen die normaal gesproken naar het speciaal onderwijs zouden gaan. Desondanks is er volgens De Jonge minder geld voor ondersteuning dan voor passend onderwijs werd ingevoerd. „Daarom moeten wij voortdurend moeilijke keuzes maken”, zegt ze. „Bijvoorbeeld om de ene klas wat groter te maken, met 29 leerlingen, zodat in andere groepen een assistent kan worden ingezet.”

Waar ligt de grens van inclusief onderwijs? „Aan die vraag wil niemand zijn vingers branden”, zegt AOb-voorzitter Verheggen. „Maar je maakt mij niet wijs dat een leerling met een ernstige meervoudige beperking [ernstig verstandelijk en lichamelijk beperkt] opgevangen kan worden op een reguliere school.”

Volgens de VO-raad kan de ene reguliere school voor voortgezet onderwijs op dit moment veel meer leerlingen binnenboord houden dan de andere. „Door nauwere samenwerking met het voortgezet speciaal onderwijs willen we die grens geleidelijk voor het hele land gaan verschuiven”, zegt VO-raad-woordvoerder Linda Zeegers. „Dat vergt echter nog wel wat gesprekken, onder andere met onze schoolleiders die hun docenten willen beschermen tegen overbelasting.”

    • Julie Wevers