Opinie

Belangrijke lessen over Syrische vluchtelingen

In Libanon wonen zo’n 400.000 Palestijnse vluchtelingen. We kunnen leren van hun ervaringen voor de opvang van Syrische vluchtelingen, schrijft onderzoekster Nora Stel.

Tentenkamp in Libanon voor Syrische vluchtelingen. Foto Koen van Weel / ANP

Sinds de revolutie in Syrië is uitgemond in oorlog zijn elf miljoen Syriërs gevlucht. De internationale gemeenschap heeft in haar reactie op deze vluchtelingencrisis een speerpunt gemaakt van ‘opvang in de regio’. Hoe die opvang vorm krijgt, is echter lang niet altijd duidelijk. Dit geldt vooral voor de vluchtelingen die worden opgevangen buiten de door de VN of gastlanden opgezette kampen.

In Libanon, dat ruim anderhalf miljoen Syrische vluchtelingen herbergt, heeft de regering zelfs helemaal afgezien van formele vluchtelingenkampen. Dit maakt het erg moeilijk om zicht te krijgen op de omstandigheden waarin Syrische vluchtelingen leven. Uitbuiting en marginalisering liggen daarmee op de loer.

In Libanon wonen ook zo’n 400.000 Palestijnse vluchtelingen. Hoewel hun situatie in veel opzichten verschilt van die van hun Syrische lotgenoten, zijn er ook belangrijke overeenkomsten. Zo leeft ondanks het bestaan van twaalf officiële vluchtelingenkampen, ongeveer 35 procent van deze Palestijnen in informele nederzettingen. De inzichten die ik tijdens onderzoek naar het dagelijks bestuur in zulke nederzettingen opdeed, bevatten dan ook belangrijke lessen voor de opvang van Syrische vluchtelingen.

Institutioneel vacuüm

De zogenaamde gatherings waarin veel Palestijnse vluchtelingen sinds hun gedwongen vlucht uit Palestina in 1948 wonen, worden niet erkend door de Verenigde Naties of de Libanese staat en zijn illegaal gebouwd op Libanees land. Dit betekent dat de inwoners buiten elk bestaand beleid vallen: de Libanese overheid voelt zich niet verantwoordelijk omdat Palestijnse vluchtelingen geen burgers zijn en de VN stellen dat de nederzettingen buiten hun mandaat vallen omdat ze geen officiële status hebben.

In een dergelijk institutioneel vacuüm, worden Palestijnse vluchtelingen geroutineerd van het kastje naar de muur gestuurd. Zij hebben bovendien geen erkende lokale vertegenwoordigers en de relaties die de Volkscomités die hen representeren, aanknopen met lokale Libanese gezagsdragers zijn als gevolg daarvan overweldigend informeel, indirect, onvoorspelbaar en ongelijkwaardig.

Omdat er geen overkoepelend beleid is voor de omgang met Palestijnse vluchtelingen die buiten de kampen leven, moeten deze Palestijnse en Libanese lokale autoriteiten het wiel iedere keer opnieuw uitvinden.

Non-beleid

De afvalverwerking in een van de nederzettingen waar ik veldwerk deed, geeft deze dynamiek goed weer. Het vuilnis in de betreffende Palestijnse gemeenschap werd opgehaald door een lokale NGO. Na overleg met het Volkscomité en de burgemeester van het aangrenzende Libanese dorp, zei deze NGO toe om ook het afval in het Libanese dorp op te halen. In ruil daarvoor mocht al het afval, Libanees en Palestijns, afgegeven worden bij de provinciale recycling fabriek – die eigenlijk geen Palestijns afval aanneemt, omdat Palestijnen geen belastingen betalen.

Op het eerste gezicht lijkt dit een prima regeling. Maar omdat dergelijke afspraken niet geformaliseerd kunnen worden, zal iedere nederzetting zijn eigen overeenkomst moeten treffen. Deze oplossingen zijn bovendien vaak weinig duurzaam omdat de Palestijnse Volkscomités zich op geen enkel recht kunnen beroepen en dus afhankelijk zijn van smeekbedes en corruptie. In het hier aangehaalde voorbeeld stond of viel alles met de zeldzame goodwill en invloed van de betreffende Libanese burgemeester.

Deze afwezigheid van officiële afspraken, formele regulering en erkend beleid is een combinatie van een gebrek aan capaciteit en middelen van de Libanese staat en haar neiging elke vorm van normalisering te zien als het opofferen van het Palestijnse recht op terugkeer. Het doorgronden van deze vorm van bewust ‘non-beleid’ betreffende het dagelijks bestuur van vluchtelingengemeenschappen is relevant voor zowel de Palestijnse en de Syrische situatie en noopt tot een herziening van opvang in de regio.

Recht op representatie

Internationale organisaties, nationale regeringen en humanitaire instanties moeten verder kijken dan de officiële vluchtelingenkampen. De meerduidige realiteit die bestaat naast de papieren werkelijkheid van registratie, documentatie en allocatie verdient meer aandacht. De facto vertegenwoordigers van vluchtelingen moeten een grotere rol krijgen, ook al zijn dit vaak verre van ideale partners. Vluchtelingen zijn ontheemde burgers, niet enkel gedepolitiseerde humanitaire subjecten, en hebben recht op hun eigen representatie.

Gastlanden zoals Libanon dienen bovendien zowel politiek als financieel veel substantiëler ondersteund te worden. Libanon staat niet bekend om zijn goedaardige benadering van vluchtelingen, maar het land draagt dan ook een buitenproportionele last. Verdere instabiliteit zal bovendien als eerste de toch al kwetsbare vluchtelingengemeenschappen treffen. Het bieden van meer steun aan regionale gastlanden geeft de internationale gemeenschap bovendien de kans om ervoor zorg te dragen dat basale regulering en normalisering niet ten koste hoeft te gaan van uiteindelijke terugkeer.

Palestijnse vluchtelingen in informele nederzettingen in Libanon zijn in de afgelopen decennia verstrikt geraakt in een institutioneel vacuüm dat hen afhankelijk en machteloos maakt. Laten we zorgen dat Syrische vluchtelingen niet op eenzelfde manier in informaliteit gevangen worden.