Rotterdam liet zich onnodig voor miljoenen oplichten

Vastgoedfraude

Hoewel de huurder was gescreend en als wanbetaler bekendstond ging de gemeente toch met hem in zee. De vraag is waarom.

Foto Remko de Waal/ANP

De gemeente Rotterdam ging in 2010 willens en wetens in zee met een notoire wanbetaler bij de verhuur van het pand van voormalig poppodium Waterfront. De grootscheepse fraude die volgde, en die de gemeente miljoenen heeft gekost, had voorkomen kunnen worden. Dat blijkt uit een rapport in bezit van NRC.

De fraude bestond uit het niet betalen van huur en het in rekening brengen van enorme bedragen voor onderhoud, dat volgens de gemeente niet of nauwelijks is uitgevoerd. De huurder van het pand aan de Boompjes, Göksel Kan, huurde het vanaf juni 2010 voor anderhalve ton per jaar. Maar die betaalde hij niet, omdat het pand volgens hem te gebrekkig was om te exploiteren. De gemeente heeft hem grote bedragen aan huur kwijtgescholden in de loop van het huurcontract, en ook tussentijds een lagere huur aangeboden. Al die tijd heeft Kan het pand wel geëxploiteerd.

Kans vader, Gürsel Kan, was belast met de reparaties en het onderhoud van het pand. Zijn onderhoudsbedrijf RWC diende volgens de gemeente voor 8 miljoen euro aan grotendeels valse facturen in voor reparaties aan het pand, waarvan de gemeente 7 miljoen euro betaalde.

Toen de fraude vorig jaar aan het licht kwam, leidde dat tot grote consternatie. Het kort daarvoor aangetreden hoofd van de vastgoedorganisatie moet vertrekken, er volgde een intern en twee externe onderzoeken, en de gemeenteraad besliste voor de tweede keer in zijn geschiedenis om een raadsenquête te houden.

Lees ook Rotterdam ging bewust in zee met dubieuze ondernemers

De gemeente gaf vóór het aangaan van het huurcontract, in februari 2010, het Haagse onderzoeksbureau EDR Credit Services opdracht de financiële antecedenten van Göksel Kan te screenen. Daaruit bleek dat Kan huurschulden had bij de eigenaren van panden in het centrum van Rotterdam. Ook meldde het onderzoeksbureau dat Kan „zeer terughoudend” was met het verstrekken van financiële informatie. Het advies van EDR aan de gemeente over het sluiten van een huurcontract: ‘Onverantwoord’. Vader Kan, nauw betrokken bij het sluiten van de huurovereenkomst, was kort voor het aangaan van de overeenkomst failliet gegaan, met een belastingschuld van 2,5 miljoen euro.

De vraag is waarom de toenmalige directeur van de gemeentelijke vastgoedorganisatie, Adriaan Visser, toch overging tot het tekenen van het huurcontract met Kan, en hoe het kan dat het rapport van EDR buiten het interne onderzoek van de gemeente gehouden is. Visser is nu wethouder Financiën en Organisatie namens D66 in Rotterdam. In het openbare verslag van het interne onderzoek van de gemeente staat dat er geen stukken gevonden zijn waaruit blijkt dat de vastgoedafdeling Kan gescreend heeft. Die stukken blijken er nu dus wel te zijn. Volgende maand begint de gemeenteraad met de verhoren in deze affaire. Dan hoort een commissie in het openbaar de verantwoordelijke ambtenaren en politici.

    • Lucette Mascini
    • Elsje Jorritsma