Recensie

Pure toverij bij Bruckners Negende

Bruckner-symfonieën zijn kathedralen. Die kun je architecturaal brengen, maar ook als een woestijn, of een afgrond. Zo deed Valery Gergiev het dit weekend. Groots.

Bruckner-symfonieën zijn kathedralen bij architect-dirigenten als Bernard Haitink, die vorige maand in Amsterdam een formidabele Zevende dirigeerde. Maar het kan ook anders: de symfonie als steppe, afgrond, rotsmassa, hoefgetrappel, glinsterend erts, ommuurde tuin. Dat vooral Bruckners onaffe en meest radicale Negende zich voor zo’n benadering leent, bewees Valery Gergiev met een eveneens formidabele uitvoering in Rotterdam.

Tovenarij

Gergiev maakte de grote lijnen ondergeschikt aan de sfeer van het muzikale moment. Daardoor kon je versteld staan over de aaneenschakeling van emoties en beelden, en je laten overrompelen door de trefzekere greep waarmee het orkest al die ideeën en gemoedsnuances realiseerde, telkens meesterlijk geschraagd door de geweldige bassectie. De schakeringen en de vloeiende montage waren pure toverij.

De geest van de primitieve Stravinsky waarde door deze Bruckner. De climaxen en schurende dissonanten klonken als tribaal geweld; tegenover Haitinks menselijkheid stond hier een grandioze, maar onbarmhartige natuur. Maar hoe onontkoombaar de crescendo’s ook donderden, met een enkel wiebeltje van zijn pink wist Gergiev de oerdriften te breidelen voor een zwangere rust of een zinderend pianissimo. Het kamermuzikale kleinood halverwege het eerste deel was etherisch licht. De strijkersklank gonsde als een honingraat in het Adagio. Organisch, dynamisch, vol verrassingen en groots.

    • Joep Stapel