Cultuur

Interview

Interview

Onderzoeker Lotte Jensen: „Het Nederlandse wij-gevoel begint bij de Opstand tegen Spanje in de 16de eeuw”

Foto Bram Petraeus

‘Het wij-gevoel is een cultus van mythes’

Lotte Jensen historisch letterkundige

De referentie van politici aan een Nederlandse identiteit is ‘kunstmatig’ zegt Lotte Jensen.

De Nederlandse identiteit wordt dezer dagen regelmatig aangeroepen. Zo hamert het CDA-verkiezingsprogramma op de ‘Joods-Christelijke wortels die ons land hebben gevormd’ en die volgens partijleider Buma worden ‘bedreigd’. Collega’s van andere gezindten reageren dat behoud van het vaderlandse volkskarakter evengoed aan hen kan worden toevertrouwd. De PvdA pleit voor een ‘progressief patriottisme’.

Lotte Jensen, universitair hoofddocent historische letterkunde aan de Radboud Universiteit, houdt zich al heel lang met dit onderwerp bezig. Vorige maand kreeg zij een belangrijke Vici-subsidie van NWO voor een project waarin zij gaat uitzoeken hoe rampen als watersnoden en epidemieën bijdroegen tot het ontstaan van een nationaal wij-gevoel.

Jensen verbaast zich over de kamerbrede bekommernis: „Kennelijk ontkomt geen partij eraan om zich hierop te profileren. Van links tot rechts wordt de nationale identiteit kunstmatig in de verf gezet. Het doet soms bijna 19de-eeuws aan, als een nieuwe verpakking van het verleden.”

Jensen speurt in literaire teksten, pamfletten en ander historisch drukwerk naar de wortels van de Nederlandse identiteit. Zelf brengt ze die belangstelling in verband met haar achtergrond. Ze is geboren in Denemarken. Toen ze tien maanden was, is het gezin naar Nederland geëmigreerd vanwege het werk van haar vader. Jensen: „Ik ben grotendeels hier opgegroeid, maar de Nederlandse taal heb ik pas geleerd vanaf de kleuterschool. Bepaalde Nederlandse gewoontes heb ik van huis uit niet meegekregen, zoals het Sinterklaasfeest. Ik groeide op met twee culturen, want we gingen vaak terug naar Denemarken. Soms merk ik dat een gezegde of uitdrukking niet in mijn vocabulaire zit. Of een kinderliedje. Dat zijn gaatjes in mijn bestand.”

Afgelopen najaar verscheen Jensens jongste boek, Vieren van vrede. Daarin gaat ze na hoe het collectieve zelfbeeld van de noordelijke Nederlanders tot uitdrukking kwam in historische teksten rond belangrijke vredesverdragen – van de Vrede van Münster (1648), die een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, tot het Congres van Wenen (1815).

U onderscheidt nationale identiteit duidelijk van nationalisme als ideologie. Is het Nederlandse wij-gevoel ouder dan dat nationalisme?

„Ja. Dat wij-gevoel heeft lange culturele wortels en wordt met name aangewakkerd in tijden van oorlog: tegen de Spanjaarden, de Engelsen, de Fransen. Dat heeft een politieke aanleiding, maar wordt ook cultureel geuit. Door een cultus van vaderlandse helden, door steeds opnieuw eigenschappen te benoemen die de Nederlanders uitzonderlijk zouden maken. Het nationalisme van de negentiende eeuw is meer een van bovenaf opgelegd politiek programma.”

Wanneer ontstond het Nederlandse wij-gevoel?

„Historici zijn het er niet over eens. Sommigen gaan terug naar de Middeleeuwen, anderen leggen het beginpunt pas in 1798, als de patriotten een Bataafse eenheidsstaat proclameren. Ik denk dat het begint bij de Opstand tegen Spanje in de 16de eeuw.”

Hoe ziet het oudste collectieve zelfbeeld van de Nederlanders eruit?

„Een aantal stereotypen keert steeds terug. In de eerste plaats het beeld van de 17de eeuw als een gouden tijdperk, dat toen al bezongen werd door Joost van den Vondel. Het idee dat dit een heel welvarende republiek was, met een bloeiende handel, vette koeien die volop melk gaven. Die welvaart, zo heette het, was gebracht door de handel en werd gedragen door een sterke, collectieve handelsgeest.

„In de tweede plaats speelde het protestantse geloof een heel belangrijke rol. Een van de krachtigste uitdrukkingen daarvan is het idee dat we een uitverkoren volk Gods zijn, een nieuw volk Israëls. Het zijn de meer orthodoxe calvinisten die dit al aan het begin van de 17de eeuw zeggen, maar dat is wel het stereotype dat steeds terugkeert.

„En natuurlijk is Oranje een bindend motief. Dat is politiek beladen, want het is sterk verbonden met de stadhouder. Diens medestanders, de Oranjegezinden, zullen dit motief sterk naar voren schuiven. Daarmee zetten zij zich af tegen de staatsgezinden, de latere patriotten.”

Heeft Nederland een eigen oorsprongsmythe?

„Het oudste verhaal is de Bataafse mythe. Het denkbeeld dat wij als land zijn gesticht in 69 na Christus met de opstand tegen de Romeinen onder Batavierenleider Claudius Civilis. Ik zeg ‘mythe’, omdat die is gecultiveerd om te laten zien dat wij een natie zijn met oude wortels, een kleine stam die met succes in opstand kwam tegen een groot rijk. Daar werd vaak naar verwezen tijdens de opstand tegen Spanje. Die parallel laat zien: we hebben door de tijd heen blijk gegeven van veerkracht. Zoiets geeft bestaansrecht aan een natie.”

Toen in 2000 voor het eerst sprake was van een ‘Multicultureel Drama’ in Nederland werd beweerd dat nieuwkomers funest waren voor de ‘nationale consensus’. Daar brachten historici tegenin dat zo’n consensus een mythe is. Het vaderlandse geschiedverhaal gaat over niets dan tweedracht; tussen katholieken en protestanten, tussen het westen en het oosten van Nederland, tussen patriotten en Oranjegezinden.

Wat vindt u daarvan?

„Dat bij de constructie van ‘wie zijn wij’ anderen worden uitgesloten is niks nieuws. Patriotten en prinsgezinden hebben elkaar heel lang uitgesloten. Of neem de arbeidsmigranten uit Duitsland, waar in de zeventiende eeuw de spot mee werd gedreven. Onder meer door Isaac Vos in zijn kluchten waarin hij de Duitse hannekemaaiers wegzet.

„Dat neemt niet weg dat er een nieuwe consensus kan ontstaan. Dat gebeurde bijvoorbeeld in de Franse tijd. Onderlinge twisten worden ineens veel minder belangrijk als er een grotere vijand opdoemt. Dat geeft een soort verbroedering of verzoening.”

Hoe zit het met de handelsgeest als element van de nationale identiteit?

„Protestantisme en Oranje zijn controversieel, maar die handelsgeest, daar kan op een of ander manier iedereen zich in vinden. Ook nu wordt maar wat vaak een beroep gedaan op pragmatische economische argumenten om een bepaald beleid door te kunnen voeren.”