Fantoompijn

Hans Steketee ziet zijn hond Lucy in de lichte deuropening staan als hij thuiskomt, ook al is ze er niet meer.

Lucy, een Ierse terriër, maakte haar debuut op de Achterpagina in 2004, toen mijn gezin en ik in Londen woonden. Ik had me een tijd verzet tegen een hond, maar het bleek een zegen. Onthaasten ging met haar vanzelf. En ze liet ons zien hoe de schuwe Engelsen wel degelijk in staat zijn tot intermenselijk contact, schreef ik toen. „Hallo, hoe heet jij? Wat heb jij grappige oren! En wat mag jij wel voor merk hondje wezen”, begonnen wildvreemden zomaar een praatje.

In 2014 kwam Lucy zelf aan het woord, in een stuk over een dierenpension. Het is minder erg dan je denkt, vertelde ze, maar het ging er anders toe dan thuis. Geen pindaspel, bijvoorbeeld. „Hij en ik zijn er heel goed in geworden om het zo te doen dat zij het niet ziet als hij mij een nootje geeft.”

Ze is veertien jaar geworden en iedereen zegt dat ze een goed leven heeft gehad. Ze was vriendelijk tegen elk kind dat ze zag. En meestal nurks tegen andere honden, maar zelden nijdig. Ze werd zenuwachtig als je bij het wandelen gaten in de groep liet vallen; een oud herdersinstinct.

Ik herinner me hoe ze zich juichend van een heuveltop in Wales in het dal stortte waar ze in de diepte een kudde schapen had gezien om eens lekker achterna te zitten. Om daarna breed grijnzend diezelfde helling in een minuut weer op te rennen, een klim waar ik zelf een puffend uur over had gedaan. Later las ik dat boeren onaangelijnde honden mogen doodschieten. Aan het eind van die bemodderde wandeldag viel ze letterlijk om en sliep tien uur.

Ze deed het thuis ook. Rondscharrelen en dan op een willekeurige plek: plof en die diepe zucht. Niet dat ze dan moe was, maar omdat het kon. Ze is weg, maar als ik thuiskom zie ik haar in een lichte deuropening staan, schuddend met haar achterwerk. Ik hoor haar ergens opstaan als ik een mes uit een la pak om worst te snijden. Ik hoor nageltjes op de trap. En als ik mijn benen onder tafel strek, raak ik haar heel even aan. „De hond is nergens meer, iedere dag”, dichtte Rutger Kopland.

In onze Londense tuin kwam vaak een stadsvos op bezoek. Als we zeiden „Lucy: waar is de vós?”, werd ze nerveus en maakte ze een geluid tussen piepen en grommen in. Daar kon je haar jaren later nog steeds gek mee maken. Leuk in gezelschap. Het werkte ook bij ‘meneer Vos’, een leraar van mijn dochter, en bij mijn lieve collega Marjoleine ‘de Vos’. De andere hond, die later in ons gezin kwam, had nooit een vos gezien, maar nam die reflex een-op-een over.

Toen Lucy klein was, deden we met haar een spelletje, ’s avonds in het park of in een kamer met het licht uit. Iedereen verstopt zich en roept om beurten „Lucy koekoek!”. Ze vond je altijd. Ook dat spel heeft de andere hond feilloos van haar geleerd. En ten slotte heeft Lucy ook óns getraind. Ik weet vrij zeker dat ze het hele gezin heeft geleerd dat we eerst „Zit!” tegen haar moesten zeggen voordat ze bereid was een hap uit haar bak te nemen.

Een vriend, die ervaring heeft met het verliezen van huisdieren, zegt dat sommige na hun dood „nog vrij lang in hun vertrouwde omgeving blijven”. Misschien zijn dat alleen andere woorden voor de fantoompijn die ik voel. En intussen vraag ik me af wat „vrij lang” is.

    • Hans Steketee