De beloofde generatie

Fotografie Pieter Hugo fotografeerde kinderen die zijn geboren na 1994, het jaar waarin Nelson Mandela in Zuid-Afrika tot president werd verkozen en in Rwanda genocide werd gepleegd.

Dochter van Pieter Hugo, Zuid-Afrika, 2014 Foto’s Pieter Hugo/Cokkie Snoei

‘Zijn kinderen slechts onschuldige wezens? Ik denk het niet. Ze hebben een sterke overlevingsdrang en zijn niet alleen lief.” Sinds Pieter Hugo (40) – geboren in Johannesburg en tijdens de apartheid opgegroeid in Kaapstad – zelf kinderen heeft, kijkt hij anders naar de wereld. Daarvoor was hij een onrustige fotograaf die van hot naar her reisde en zijn camera richtte op mensen aan de zelfkant van de samenleving. Maar als jonge vader viel hem ineens op dat er overal kinderen zijn. „Voorheen zag ik ze eigenlijk nooit staan. Dat is nu anders, mijn blik is verschoven.”

Het ouderschap – Hugo heeft een zesjarige dochter en een driejarige zoon – heeft hem onzeker en kwetsbaar gemaakt.

„Je voelt je verantwoordelijk voor hun leven. Zeker in Zuid-Afrika waar de littekens van het kolonialisme nog zo voelbaar zijn.”

Zijn nieuwe blik op de wereld heeft Hugo ingezet voor het fotoproject 1994, genoemd naar het jaar waarin Nelson Mandela tot de eerste zwarte president van Zuid-Afrika werd verkozen. Het idee voor dit werk – portretten van kinderen die na 1994 zijn geboren in Zuid-Afrika en Rwanda – ontstond drie jaar terug, toen Hugo in opdracht voor een non-gouvernementele organisatie in Rwanda een fotoserie maakte van overlevenden van de volkerenmoord met hun voormalige vijanden.

„Ik fotografeerde in een aantal dorpjes tijdens de schoolvakantie. Er hingen veel kinderen rond. Om van ze af te zijn, maakte ik een paar foto’s van ze.”

Eenmaal terug in Zuid-Afrika keek Hugo in zijn studio nog eens goed naar die beelden. „Ze hadden iets dwingends, ik bleef ernaar kijken.” Ook bestudeerde hij het portret van zijn driejarige dochter, poserend met een blauwe bloemenkrans, dat hij na terugkomst had gemaakt.

„Ik bedacht me dat deze kinderen tot op zekere hoogte vrij zijn. Opgroeiend na 1994 hebben zij een hele andere kijk op de geschiedenis dan de generaties voor hen.”

Zelf maakte Hugo 1994 heel bewust mee. „Mijn land zat in een grote overgang terwijl in Rwanda de volkerenmoord uitbrak. Alles stond op zijn kop.”

Welke relatie hebben kinderen tot het land waarin ze opgroeien? Die vraag bleef in zijn hoofd rondzingen. Hugo besloot meer kinderen te fotograferen, zowel in Rwanda als Zuid-Afrika. Hij liet hen poseren in het landschap. „Die natuurlijke omgeving is een soort psychologische ruimte. In beide landen heeft het landschap zo’n heftige betekenis. In Rwanda lagen in 1994 overal lichamen, de genocide heeft overal zijn sporen achtergelaten. Ook in Zuid-Afrika is de grond niet zonder betekenis. Daar vraag je je af: van wie is dit land? De grond is onteigend, er zijn grenzen getrokken die er voorheen niet waren.”

Symbolisch werk

Tussen 2014 en 2016 ging Hugo vier keer naar Rwanda om foto’s van kinderen te maken. Tussendoor fotografeerde hij kinderen in Zuid-Afrika. Hoe vond hij het om kinderen te portretteren, na al die foto’s die hij maakte van aidspatiënten, blinden, albino’s en rondtrekkende circusartiesten met hyena’s?

„Heel lastig. Ik zocht naar kinderen die een volledig gevormde persoonlijkheid hebben en met een confronterende blik de camera in durven kijken. Dat was moeilijk. Van de vele portretten die ik maakte, waren er telkens maar een paar goed. Ik heb eindeloos gefotografeerd.”

Veel van de kinderen die Hugo portretteerde hebben een volwassen blik. Zoals de straatjongen die hij al in 2014 in Rwanda fotografeerde, liggend in het gras in een veel te grote jas. Maar er zitten ook kwetsbare portretten tussen, zoals het verlegen jongetje, dat met gehavende knieën en gekleed in een lila damesblouse, tegen een boom aanleunt.

Opvallend is dat hij de namen van de kinderen achterwege heeft gelaten. „Dat was een bewuste keuze. 1994 is een symbolisch werk, het gaat niet om het individu, maar om een groter verhaal.”

    • Rosan Hollak