Opinie

    • Jutta Chorus

Canvassen met Mark, Lodewijk en Mevlüt

Een ontspannen Mark Rutte in het clubhuis van hockeyclub Dragons. Om hem heen kale mannen met hockeysjaals om, dames met ruwe parels, bitterbal, glaasje wijn. Het is 8 mei 2014, twee weken voor de Europese Parlementsverkiezingen. „Ik wil jullie oproepen om bij de verkiezingen liberaal te stemmen”, zegt Rutte. De VVD-leider staat in Brasschaat en moedigt de Nederbelgen daar aan te stemmen op een partijgenoot.

Afgelopen vrijdag schreef Rutte op zijn Facebook-pagina: „We zijn van mening dat de Nederlandse publieke ruimte niet de plek is voor politieke campagnes van andere landen.”

Nee, de Belgen stonden niet voor de poort. Het waren de Turken. Eind mei 2015 bracht de Turkse minister Mevlüt Cavusoglu (Buitenlandse Zaken) een campagnebezoek aan Rotterdam voor de Turkse parlementsverkiezingen. Hij kuierde door Feijenoord, liet zich fotograferen met de middenstand en sprak in een partycentrum vijfhonderd Turkse Nederlanders toe. Alleen GeenStijl maakte zich er druk om.

Vrijdag werd bekend dat Cavusoglu weer wilde komen. Ditmaal voor een grondwetswijziging die president Erdogan ruimere bevoegdheden moet geven. „Ongewenst”, vond Rutte. „Een gotspe”, zei PvdA-leider Asscher, omdat Cavusoglu Turkse Nederlanders „onze staatsburgers” noemde, en D66-leider Pechtold sloot zich daar voor „100 procent bij aan”.

Begrijp me goed: ik krijg ook een ongemakkelijk gevoel als ik een brug zie vol Nederlanders die met Turkse vlaggen zwaaien, maar mijn ongemakkelijke gevoel geeft me nog geen titel om die vlaggen af te pakken.

Als de Turkse campagne van 2017 in Nederland iets laat zien, is het de halfbakken integratie van mensen die hier als gastarbeiders kwamen en nooit meer weggingen, en die van hun kinderen en kleinkinderen.

Asscher kan wel zeggen dat de Turkse Nederlanders onze staatsburgers zijn, maar ze zijn óók die van Cavusoglu, omdat de Nederlandse overheid hun een dubbele nationaliteit heeft gegund. Turkse Nederlanders hebben Turks stemrecht.

Je zou willen dat het kabinet de brief eens las die de burgemeester van Amsterdam in 2015 schreef over hoe om te gaan met gevallen waarbij verschillende grondrechten op elkaar botsen. Van der Laan concludeerde – onder het motto ‘hoe bestrijd je onverdraagzaamheid zonder zelf onverdraagzaam te worden’ – dat de vrijheid van meningsuiting en demonstratie altijd voorgaan, maar dat de overheid daarbij goed moet kijken naar „breed gedragen waarden in de samenleving” en of die in het geding zijn.

De brief is geen uitnodiging aan de Turken om hun gang hier te gaan, maar een opdracht aan de overheid om goed aan haar burgers uit te leggen waarom iets wel of niet mag. „De stad kan tegen een stootje”, schreef Van der Laan. Dat geldt ook voor de staat.

Jutta Chorus (@juttachorus) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

    • Jutta Chorus